Hogere knikkerkunde

Eén man bouwde zes jaar lang in een kelder aan een reusachtige knikkerinstallatie. Zo complex dat het hem zelf boven het hoofd groeide. „Ik heb me vaak afgevraagd: waarom moet dit?”

The Invention (1996) is de eerste installatie van kinetisch kunstenaar Mark Bischof. Knikkers zetten de beweging van de theepot in gang. Alles heeft een functie. De eikelvorm van de gewichtjes is geënt op de dop van de theepot. Foto Hugo Rompa

Gedachten aan de dagelijkse dingen moet je even opzij zetten. Maar dat gaat vanzelf. De installaties van kunstenaar Mark Bischof zijn wat dat betreft wonderlijke meditatiemachines. Tandwielen draaien, assen raspen. Een reuzenwiel van walnoothout draait langzaam, glazen knikkers met een diameter van 25 mm glijden over 500 meter messing rails, verbogen tot een reuzenkluwen. Tijd is in deze kosmos geen moderne tijd. Er bestaat geen haast. Pas als het 80 kilo zware gewicht dat de aandrijfas in gang zet na 37 minuten op de grond landt, komt de installatie tot stilstand. De laatste verrassing is je eigen reactie: na ontzag en verwondering moet je er ook om lachen. Het is een aanstekelijk idee dat een apparaat dat zo intens complex en ingenieus is, geen enkele functie vervult. Triomf van de nutteloosheid.  

Ziehier: de ‘Markrokosmos’, ondanks zijn kamervullende ómvang niet de grootste ‘rolling ball sculpture’ ter wereld, maar wel de allermooiste. Een gesimplificeerde replica ervan is te zien in de Hollywood-film Fracture (2007), als symbolisch hobbyobject van Anthony Hopkins in zijn zoveelste rol als psychopaat. „De regisseur wilde de ‘Markrokosmos’ naar Los Angeles halen”, zegt Bischof. „Maar dat moest allemaal binnen zes weken en ik durfde dat niet aan. Ik was bang dat ik meer tijd nodig had voor af- en opbouw, dat er iets zou beschadigen.”

Die vrees bleek later gegrond: toen de installatie in 2012 wél werd verplaatst voor expositie in museum Phaeno in Wolfsburg (het über-Nemo van Duitsland), duurden afbouw, transport en opbouw negen maanden – net zo lang als de hele tentoonstelling.

Een inklapbare cellostoel

Mark Bischof (Duisburg, 1958) studeerde tussen zijn twintigste en dertigste cello in Bremen en Amsterdam. „Ik ben er te laat serieus in geworden, maar het ideaal – mijzelf via de muziek en mijn instrument een stem te kunnen geven – ben ik vrij dicht genaderd”, zegt hij. „Muziek is nog steeds mijn belangrijkste liefde binnen de kunsten, ik geef nog met plezier celloles. Maar als musicus voelde ik me ook beperkt. Ik wilde niet alleen andermans vondsten reproduceren, maar ook eigen ideeën ontwikkelen. En ik werkte altijd al graag met mijn handen.”

Zo ontstonden zijn eerste objecten. Een vernuftige, tot aktetas inklapbare cellostoel en dito schildersezel. Een dubbelzijdig houten bankje dat je graag cadeau zou doen aan echtelieden met een sleets huwelijk: je zit zij aan zij – maar kijkt niet dezelfde kant op. Een klarinetkoffer met houten combinatieslot. Gemene deler: de liefde voor materiaal en constructie. Inlegwerk met meer soorten tropisch hardhout, geheime vakjes die openklappen nadat houten veertjes handmatig zijn omgezet.

Van daar is de weg naar de eerste installatie ‘The Invention’ (1996) niet zo groot meer. Daarin heeft Bischofs fascinatie voor beweging nog een concreet middelpunt: een theepotje schenkt, heen en weer, thee uit een tuit. Die beweging wordt gestuurd door rollende kogels van glas en messing. Eigen aan deze en ook Bischofs latere installaties is de ver doorgevoerde esthetiek. Handgepolijst messing, hoepels van talloze lagen handmatig verlijmd, geolied walnoothout. „De materiaalkeuze is ook deels praktisch”, zegt Bischof. „Ik ben autodidact; zachte metalen zijn gemakkelijk te bewerken. En hardhout laat slanke constructies toe en is heel glad af te werken, wat handig is voor machines die waterpas moeten zijn.”

De schoonheid van zijn werk en het perfectionisme zijn geen bijkomstigheid, benadrukt hij. „Ik had lang celloles van Russische leraren, hun compromisloze toewijding was heel vormend. Afwerking was alles; toon, intonatie, vorm. Werken aan een kinetische installatie eist een andersoortige inspanning, maar de ernst en de toewijding zijn in wezen dezelfde.” Maar daar houdt de parallel met muziek voor Bischof op. Dat zijn objecten door het getik en gezoef van de rollende glazen kogels zich ook als John Cageiaanse toevalsmuziek laten beleven? Een bijkomstigheid. Al zijn er natuurlijk verwanten tussen de parameters van kinetische kunst versus muziek. Zonder thematiek, structuur, vorm, beweging, ritme en proportie ben je nergens.

Naast kleinere werken en voorstudies zijn Bischofs grote installaties – de ‘Markrokosmos’ en ‘Opus 212’ met zijn traag over een cirkel klimmende glazen bol en onverwachte finale (een ejaculaat van ontelbare miniknikkers) – te bezichtigen in zijn atelier. Ze doen denken aan achttiende-eeuwse machines; (toren-)klokken, mechanische muziekinstrumenten of, zo vult hij zelf aan, het planetarium van Eise Eisinga in Franeker. In elk geval heeft zijn werk met de veelal ruige chaos van Jean Tinguely (1925-1991), de bekendste kinetische kunstenaar, volgens Bischof niets van doen. „De uitgangspunten van Eisinga en Tingueley waren anders dan de mijne”, zegt hij. „Tinguely had een antenne voor de thema’s van zijn tijd; zijn machines zijn vaak provocatieve commentaren. Eisinga wilde de rotaties van de aarde en de planeten inzichtelijk maken en mensen ervan overtuigen dat de wereld niet zou vergaan. Mij drijft vooral nieuwsgierigheid. Hoe zal het er aan het einde uit komen te zien?”

Nachtmerries van alles wat mislukte

Bischof heeft er schik in als mensen gelukkig worden van zijn werk. Zelf, zegt hij, gaat hij óók elke dag met plezier naar zijn atelier, dat pal om de hoek is van het piepkleine appartementje waarin hij woont, twee dagen per week zijn cellolessen geeft en af en toe samenleeft met zijn vriendin, altvioliste te Berlijn. Dat meet 30 vierkante meter: zijn werk zou er met geen mogelijkheid inpassen.

Maar er is ook wel om de ‘Markrokosmos’ gehuild en krijgt af en toe iemand de zenuwen van het idee dat één man zoiets zes jaar lang in een kelder zit te bedenken en te bouwen – wat eens te meer navoelbaar is als je weet dat alle maten en proporties binnen het werk voor de lol van de beperking ook nog zoveel mogelijk berusten op priemgetallen.

„Natuurlijk heb ik me ook vaak afgevraagd: waarom moet dit? Ik had nachtmerries van alles wat mislukte – en dat was veel. Het werk begint met de bekoring van een universum waarin je zelf alle parameters bepaalt, maar die vrijheid wordt door de praktijk ingeperkt. Het resultaat is doordacht en onbevattelijk tegelijkertijd. Van sommige toevalligheden of botsingen in de ‘Markrokosmos’ weet ik dat ze kunnen ontstaan, maar ik heb ze nog nooit gezien. En zal dat misschien ook nooit.”

Soms vallen er knikkers uit de baan. Dan raapt Bischof die kalm op en legt ze terug. „Ik heb niet alle missers kunnen uitsluiten. De machine berust op toevalsprincipes, het aantal mogelijkheden is me ver boven het hoofd gegroeid. Maar dat vind ik niet erg. Bij alle efficiency die ons omringt, zijn onvoorspelbaarheid en feilbaarheid misschien wel onderdeel van de charme. Hier is ontsporen toegestaan.”

Zijn ideale toeschouwer? „Die kijkt, heeft zo zijn particuliere associaties en is bereid daarover in gesprek te gaan. Waarom worden mensen geraakt door kinetische installaties? Waarom gaan we naar concerten en voorstellingen? Ik vraag me dat regelmatig af. En dan is het antwoord: omdat we mensen zijn, en eten, slapen en vrijen niet volstaan voor een gevoel van volledigheid. We wíllen ons verbazen. Ontroerd worden, een constructie bewonderen waarvan het achterliggende idee zich niet op het eerste gezicht ontsluit.”

Maar is het kunst?

De werken van Bischof roepen ook praktische vragen op. Aan de oppervlakte roeren zich de gebruikelijke kunstenaarsissues; geldnood, de behoefte gezien te worden. Subsidie? „Vaak geprobeerd, nooit gelukt.” Objecten waarin glazen kogels ofwel knikkers de hoofdrol spelen? Is dat überhaupt kunst? De materialen, messing en hardhout, zijn ook al verdacht: ouderwets, luxe en milieutechnisch onverantwoord – al komt het meeste hout gewoon van de sloop. Laatste redmiddel: exposities om je cv mee te stutten. In Bischofs eigen woorden is zijn score ook op dat front ,,uiterst matig”. Musea zijn niet happig op kinetische installaties; naast de bewerkelijkheid van het verplaatsen van de apparaten is er nog de slijtagegevoeligheid; de banen moeten af en toe met een staalwolletje worden geaaid om soepel te blijven lopen. En ze zijn alle totaal mechanisch, dus moeten handmatig worden aangezwengeld en bediend – wat instructie vereist. „Eén mecenas”, zegt hij. „Daar heb ik lang op gehoopt.”

Maar een museum voor Kinetische Kunst is er niet in Nederland en plannen voor een expositieruimte in het negentiende-eeuwse monument boven zijn atelier ketsten af, net als die voor een paviljoen in Dordrecht. Bischof: „Ik ben een huichelaar als ik zeg dat ik vrij ben van frustratie. Maar na alle pogingen moest ik ook concluderen: ik ben geen makelaar, museumdirecteur of fondsenwerver. Ik hoor hier in mijn atelier te zitten, ideeën te ontwikkelen en apparaten te bouwen.” Lachend: „Alleen blijft dan knagen dat ik óók graag wil dat mijn werk wordt gezien.”

Bischof koos voorlopig voor een uitgebeend, pragmatisch scenario. Zijn installaties zijn te bezichtigen in het atelier. Er zijn een stichting en een vriendenkring opgericht. Een website, met video’s van de banen in werking, en een ticketportal. De revenuen van de Hollywood-film en van de bouw van een in het Guinness Book of Records vermelde kogelklok voor een luxe Zwitsers warenhuis: op. Hij maakt een armgebaar naar een rekje met ansichtkaarten: „Experts zeggen: zelfredzaamheid helpt om sponsors aan te trekken.”

Maar wie zijn banen live aan het werk ziet denkt: hier klopt iets niet. De ‘Markrokosmos’ en de ‘Opus 212’ moeten een museum in. Opdat ze door meer dan vijftig mensen per maand worden gezien. En opdat Bischof weer ruimte heeft om ongestoord te sleutelen aan de volgende raadselachtige installatie die je doet lachen als een kind zonder dat je snapt waarom.