Column

Start 'Het Duitsland van Mijn Moeder' belooft veel goeds

Britta Hosman in Het Duitsland van Mijn Moeder (VPRO)

Het is een bijna niet meer weg te denken traditie: op zondagavond zendt de VPRO op NPO2 een aflevering uit van een reeks politiek-historische reisprogramma’s van eigen makelij, zeg maar: in de voetsporen van Jan Blokkers onvolprezen buitenlandmagazine Diogenes.

De reisleiders heten Jelle Brandt Corstius, Bram Vermeulen, Adriaan van Dis of Thomas Erdbrink en ze kennen hun bestemming van haver tot gort. We komen overal, van de voormalige Sovjet-Unie tot Zuidelijk Afrika, van Turkije tot Indonesië, Iran of India. Zelfs België en Groot-Brittannië kregen een kleine eigen serie. Maar ons grote buurland en zakenpartner Duitsland, nee, dat was tot nu toe een witte vlek op de kaart.

De VPRO vroeg Britta Hosman, programmamaker uit eigen stal sinds Waskracht in de jaren 90, om een idee te ontwikkelen. Het werd Het Duitsland van Mijn Moeder, een road movie langs de vluchtroute die haar moeder, vier jaar oud in 1945, vanuit Oost-Pruisen aflegde, op de vlucht voor de Russen. Co-regisseur Jorien van Nes, ook een VPRO-veteraan, drong erop aan dat de in 1967 in Nederland geboren Hosman ook de camera op zichzelf richtte. Dus zien we haar in de openingsbeelden voor de spiegel met een hitlersnorretje.

Het is meer dan een flauwe grap. Ze legt ook uit dat Duitsland de leiding wil en moet nemen in Europa, maar de pech heeft dat het Duitse woord voor leiden nu eenmaal ‘führen’ is.

De eerste aflevering belooft veel goeds. In een wat stugge, ongemakkelijke stijl, gaat de cameraploeg in de huidige Russische enclave Kaliningrad op zoek naar het landgoed waar de familie zevenhonderd jaar geschiedenis had liggen. Of het om Pruisische adel gaat, dat wordt niet vermeld, zoals wel in de bestseller De Stamhouder van Alexander Münninghoff.

De taxichauffeur krijgt meer westerse bezoekers in de auto op zoek naar hun wortels, maar hij waarschuwt: er is helemaal niets van over. Dat valt best mee. Er is zelfs een ontmoeting met een Russische vader en zoon die een hele studie van de plek gemaakt hebben.

In het winterse landschap zien we veel weemoed en treurigheid. De kerk met de familiegraven is een ruïne, de Duitse bibliotheek werd na de oorlog een legerbordeel met knappe Duitse meisjes, die niet tijdig weg hadden kunnen komen.

Het Rode Leger maakte alles stuk wat het tegenkwam in de landhuizen, uit haat tegen de aristocratie en de Mof, ook uit woede dat het vermaledijde westen niet zo arm en ellendig was als de bolsjewieken het voorstelden. Maar er werd ook buit meegenomen, hele serviezen en ameublementen.

De twaalf miljoen Duitsers die westwaarts trokken uit Oost-Pruisen en het Balticum konden niets meer goed doen: hoe ze ook over de nazi’s gedacht hadden, ze waren schuldig, net als hun kinderen. En hun leed, ja, dat was niets vergeleken met dat van de echte oorlogsslachtoffers. Dus daar gaan we niet sentimenteel over doen, vindt Britta’s moeder nu, terwijl ze haar verdriet verstopt achter dikke fruitbomen. De tijd is rijp, wij willen het nu allemaal wel weten.