Een piep-, piep-, piepklein beetje hoop in Jemen

Carolien Roelants is Midden-Oostenexpert en scheidt elke week de feiten van de hypes.

Puinruimen na een Saoedische luchtaanval in de Jemenitische hoofdstad Sana’a, zaterdag.

In deze krant is een discussietje losgebroken of het Westen die dictators in het Midden-Oosten al dan niet met rust moet laten. Of dat beter/slechter zou zijn voor de burgers daar dan de chaos die nu heerst in landen in de regio waar is geïntervenieerd. Zie Afghanistan (2001, hoewel voor de kniesoor niet Midden-Oosters), zie Irak (2003), en zie Libië (2011).

Ik voeg Syrië aan de discussielijst toe, waar een stapel interventies zowel voor als tegen de dictator nog aan de gang is, en Jemen, al wil een Arabische coalitie de regering daar juist terugbrengen. Maar de chaos heeft deze twee landen allebei ook al in zijn greep. Ja, er wordt nogal wat ingegrepen met desastreuze gevolgen.

Ik neem even de zijweg naar de term responsibility to protect (R2P) die in deze discussie nog niet is gevallen. Dat beginsel werd in 2005 door alle lidstaten van de VN aangenomen. Het betekent kortweg dat de buitenwereld het recht heeft in te grijpen waar de burgers met massamisdrijven worden bedreigd. Aanleiding waren de Rwandese genocide (1994, 500.000 tot 1 miljoen doden) en de massamoorden van Srebrenica (1995, 8.000 doden). Schuldgevoel dus.

Afghanistan en Irak zijn van vóór R2P, en die interventies hebben ook niets te maken met bescherming van de lokale burgers of verbetering van hun lot, en alles met Amerikaanse woede over Osama bin Ladens aanslagen op New York en Washington. Afghanistan moest van zijn terreurbases worden ontdaan, en 9/11 verschafte een groep haviken in de regering van George Bush een (nep)argument om eindelijk met Saddam Hussein af te rekenen. Dat de zegeningen van democratie zouden worden gebracht was een verkooptruc.

Tot de NAVO-luchtsteun voor de rebellen in Libië daarentegen werd wél besloten onder verwijzing naar R2P: de burgers moesten worden beschermd tegen de tomeloze woede van Moammar Gaddafi. Ik heb twee weken geleden al geschreven dat er twijfel heerst of Gaddafi wel op het moordpad was, maar dat is niet mijn punt vandaag. Wat wel mijn punt is, is dat bescherming van de burgers een valide argument voor internationale interventie kan zijn, mits er goede nazorg is. Die ontbrak ten enenmale, en het gevolg is bekend. Dan liever Gaddafi.

In Syrië is nazorg iets dat vér voorbij de horizon ligt.

Maar ik sprak pas een functionaris uit de Jemenitische stad Aden die een piepklein, piepklein sprankje hoop bood dat Jemen niet alleen maar naar de Middeleeuwen wordt teruggebombardeerd. De door Saoedi-Arabië geleide strafexpeditie tegen de Houthi-rebellen gaat nog door, maar de Houthi’s zijn weg uit Aden.

Daar is het nu een tamelijke chaos, maar, vertelde hij, troepen en Rode Halve Maan uit de Verenigde Arabische Emiraten proberen er de orde te herstellen en helpen schade aan scholen te repareren, ziekenhuizen te bevoorraden, de elektriciteit weer op gang te brengen en de haven op te knappen.

Zou het hier werkelijk voor de verandering goed kunnen aflopen? Nou ja, een béétje goed. Duimen, want hij waarschuwde: als de Emirati’s vertrekken, wordt het alsnog een ramp voor Aden.