Column

De vodoupriesteres

Om me af te helpen van de protestantse maagd in mijn hoofd nam vriendin Ellen Deckwitz me dus mee naar Maria van Daalen. Dichteres en mambo asogwe, eerstegraads vodoupriesteres (zo schrijft ze het zelf), de enige van Nederland.

Ze woont in een nieuwbouwhuis in een nieuwbouwwijk. Ze is 65, maar je zou haar hooguit 50 geven, ze is vrolijk en vol energie. Lang, blank, met kort rood-wit haar, als een kunstwerkje. Het opvallendst zijn haar ogen. Het is alsof die laserstralen schieten, erin kijken is als kijken in de zon. „Kom verder jongen”, zegt ze geruststellend en gebaart me om door te lopen.

We beginnen met een kopje koffie in de tuin. Winti, vodou en voodoo behoren tot dezelfde groep religies, vertelt Maria. Religies die op en rond de plantages ontstonden in Noord- en Zuid-Amerika tijdens de slavernij. Ze zijn een mix van Afrikaanse en Indiaanse godsdiensten en het christendom.

Waarom maken die religies ons zo bang? „Simpel”, zegt Maria. „Vodou was de motor achter de Haïtiaanse slavenopstand. De enige slavenopstand die lukte. In 1804 kreeg Haïti de onafhankelijkheid. Als je slaven aan vodou doen, heb je een probleem, dacht men in het Caraïbische gebied. Die angst is een eigen leven gaan leiden.’

Wat heeft vodou haar gebracht? „Een manier om met het leven om te gaan.” Vodou maakt de wereld tot een magisch universum. Er zijn 401 loa, spirits of geestwezens, helpers tussen ons en God. Maria ziet ze, altijd, overal, in het winkelcentrum, in het theater, in de metro: drie meter hoog, stralend, knap en een beetje ondeugend. Elk mens heeft zijn eigen entourage van vijf tot acht loa. Ze beschermen ons, fluisteren ons inspiratie in. Van de loa mag je roken, drinken, seks hebben en homoseksueel zijn mag ook.

Dan kijkt ze naar me, met die intense ogen, en vraagt: „Droom je over honden?”

Waar ik van schrik: ik heb al vijf nachten over Puck gedroomd. Mijn overleden hond, uit wiens naam ik in 2012 naar Marseille liep. Maria vraagt dat omdat Papa Sen-Jak in mijn entourage zit. In Europa kennen we hem als Sint Jacobus (van Santiago de Compostela): beschermheer van de pelgrims. In dromen vertoont hij zich soms als een hond.

Papa Sen-Jak zegt (hier, nu) dat ik een dromenboekje bij moet houden. Dat ik hem altijd om hulp kan vragen. En dat ik niets heb om te vrezen. Echt niet? Echt niet. Écht niet.

En om dat heel, heel zeker te weten doen we in Maria’s altaarkamer een ritueel. Maria sluit de gordijnen tegen nieuwsgierige blikken van de overburen, zingt een Haïtiaans lied, giet rum en Florida Water over twee machetes, steekt het in brand, kruist de brandende machetes boven mijn hoofd en zegt: „Als er iets is dat slecht was, is het nu verdwenen.”

Het eerste wat ik zie als ik ’s avonds in slaap val, is het hoofd van een bordercollie. Vijf uur later word ik wakker, badend in het zweet. Het regent en het stormt en het raam dat ik had opengelaten is gesloten. Misschien door de wind. Maar het is leuker om te denken dat Sen-Jak het voor me deed.