Column

Blijf uitleggen waarom theater wél van wezenlijk belang is

Terwijl bij theatermakers en gezelschappen de subsidiekoorts oplaait – 1 februari moeten de nieuwe aanvragen binnen zijn – verscheen een pikant essay in vakblad Theatermaker. Acteur/schrijver/regisseur Bo Tarenskeen (zoon van componist Boudewijn) schrijft daarin over het verschil tussen generaties in de legitimering van kunst – in het bijzonder theater. Terecht constateert Tarenskeen dat de rechtvaardiging van kunst tegenwoordig door twee stromingen wordt gegijzeld: rechts zingt de neoliberale mantra van economisch rendement, links wil van kunst vooral een verbindend instrument maken. Beiden doen de kunst tekort, stelt hij, die zou geen rechtvaardiging hoeven vinden buiten de kunst zelf. En zeker, in een ideale wereld, die we tot eind jaren negentig toch wel zo’n beetje hadden, is dat waar. Maar inmiddels is het bestaansrecht van (gesubsidieerde) kunst niet voor iedereen meer a priori vanzelfsprekend. En wat doe je dan? Blijven uitleggen waarom kunst wél van wezenlijk belang is.

Het klopt dat de gebruikte argumenten vaak hol zijn, en inderdaad zullen gezelschappen en makers hun aanvragen ook nu braaf richting beleidslijn schrijven (ondernemerschap raakt passé, diversiteit maakt een veelbelovende comeback). Maar Tarenskeen stelt daar waarderend tegenover hoe zijn vader in maar liefst 33 subsidieaanvragen consequent als enige rechtvaardiging de ontwikkeling van zijn eigen kunstenaarschap aangaf. ‘Nergens een geforceerde verwijzing naar de actualiteit’, constateert hij instemmend, ‘of een dwangmatig betoog over eventueel maatschappelijk belang.’ De grootste vergissing die je als kunstenaar kunt maken, vindt Tarenskeen jr., is jezelf en je werk legitimeren.

Ik denk het tegenovergestelde: elke kunstenaar zou moeten willen en kunnen uitleggen waarom hij maakt wat hij maakt, en waarom dat ertoe doet. Die urgentie spreekt idealiter uit het kunstwerk, maar moet daarnaast zo breed mogelijk verkondigd worden, als weerwoord op de heersende scepsis. Niet het aangaan van het debat over legitimiteit is een doodvonnis, zoals Tarenskeen schrijft, maar het uit de weg gaan ervan. En in dat debat zijn overigens zowel het eigen kunstenaarschap als het maatschappelijk belang valide argumenten. Cruciaal is in elk geval de bereidheid het gesprek aan te gaan, ook, nee juist, als je gesprekspartner argwanend is of zelfs ronduit vijandig (zie Zijlstra). Eens: kunstenaars zouden zich niet moeten hoeven rechtvaardigen met nonsens, hypes of hol beleidsjargon. Dus hou daarmee op en formuleer betere argumenten. Die zijn er.