Ze zijn de schattigheid voorbij

Wonderkinderen kun je ze niet meer noemen. De pianobroers Arthur en Lucas Jussen treden op van Japan tot Mexico. Samen en alleen. „We weten dat we goed genoeg zijn.”

Arthur

Twee jongens met hoogblonde haren, knalblauwe ogen en kaarsrechte tanden staan me op te wachten bij de deur van het restaurant waar ze altijd met de auto langs rijden als ze naar het Concertgebouw gaan, The Harbour Club Kitchen. En nu wilden ze er weleens eten. Ze nemen natte jas en tas aan, wijzen de tafel waaraan zij al zaten en benadrukken om beurten hoe erg het hen spijt dat het buiten zulk noodweer is. Ze lijken het te menen. Dit zijn de broertjes Jussen: Lucas (22) en Arthur (19). De pianobroers. Bijna tien jaar geleden raakten ze bekend bij een groter publiek toen ze optraden in het Concertgebouw in Amsterdam. Allebei op een eigen vleugel, met achter hen het orkest onder leiding van gastdirigent Jaap van Zweden. Ze waren 12 en 9.

Wonderkinderen kun je ze nu eigenlijk niet meer noemen. Daar zijn ze dan weer net te oud voor. Even verderop zit hun vader aan een tafeltje alleen wat te eten. Niet dat hij altijd bij interviews aanwezig is. Lucas: „We hadden hem gebeld om te zeggen dat we hier waren.” Arthur: „Gewoon voor de gezelligheid.” Paul Jussen (49) is paukenist bij het Radio Filharmonisch Orkest. Hun moeder (52) geeft dwarsfluitles. „En daarnaast hebben ze een dagtaak aan ons.” Ze zijn betrokken bij alles wat er bij het talent van hun zoons komt kijken. Optredens, cd-opnames, repertoire. En, niet onbelangrijk, ze waken over hun muzikale ontwikkeling.

Nu hun laatste cd net een maand uit is – hun vierde – treden ze op van Mexico tot Japan. Maar volleerde pianisten zijn ze „bij lange na” niet, zeggen ze. Allebei krijgen ze nog pianoles. Los van wat ze samen doen, werken ze ieder voor zich aan een solocarrière. Arthur, de jongste, volgt les bij Jan Wijn aan het Conservatorium in Amsterdam. Lucas is net terug van twee jaar les in Amerika en twee jaar in Spanje. „Ik heb even een tussenperiode.” De kans is groot dat hij ook weer in de leer gaat bij de leraar van zijn broer. „Het gaat ons niet om het diploma.” Als ze dat al halen, want ze volgen lang niet alle verplichte vakken. Het gaat erom dat ze, nu ze ouder worden, niet blijven teren op hoe knap het was wat ze konden toen ze jong en schattig waren.

Arthur woont nog thuis, en Lucas ook weer even. „Thuis in Hilversum staan twee vleugels.” Vindt maar eens een studentenkamer waar één zo’n ding in past. En, zegt Lucas: „We hebben er fijne buren.” Buren die niet klagen dat de buurjongens elke dag vijf uur piano oefenen. Minstens. Zorgvuldig stemmen ze hun optredens af op wat ze willen leren. „Als we gevraagd worden om in de NTR Zaterdagmatinee een stuk voor twee piano’s van Strawinsky te spelen, dan is dat voor ons heel erg interessant.” Arthur lijkt in gedachten, terwijl zijn broer het meeste praatwerk doet. Maar hij volgt alles. „Strawinsky”, zegt hij. „Avant-gardistisch. De muziek past minder natuurlijk bij ons spel. Dat vergt een andere benadering.” Wat dan? Hij weifelt. „Het is net een abstract schilderij. Je voelt het niet meteen. Bij een realistisch schilderij met een boerderij en koeien en gras of een stilleven, weet je meteen wat het is en of je het mooi vindt of niet. Bij Strawinsky hapert het even. Als je jong bent, weet je nog niet zo goed wat je er mooi aan moet vinden. Dat moet je leren.”

Spelen op je gevoel

Onderling wisselen ze iets uit in wat klinkt als een geheimtaal. Het is Limburgs, hun ouders komen daar oorspronkelijk vandaan. Ze hebben het over het menu, wie wat gaat eten en hoe lang ze daarna nog hebben voor ze weer naar huis moeten. Het wordt een salade (voor Arthur) en sashimi (voor Lucas). En ze hebben nog wel even.

Op hun vierde cd staat het pianoconcert van Mozart – KV 365 – dat ze ook speelden in het Concertgebouw toen ze 9 en 12 waren. Hoe oud zou Mozart zelf geweest zijn toen hij het schreef? In de 35 jaar dat hij leefde, schreef hij zevenentwintig concerten voor piano en orkest. Van dit stuk, zijn tiende, is bladmuziek gevonden met daarop het handschrift van Mozart zelf en dat van zijn vader, ook componist. Het papier is gedateerd tussen 1775 en 1777. Mozart was dus nog geen twintig. Aangenomen wordt dat hij het schreef om het samen met zijn zusje Maria Anna – ‘Nannerl’ werd ze genoemd – te spelen op de piano.

Schrijver Peter Buwalda schrijft in het voorwoord bij de cd over de brieven die Mozart vrijwel dagelijks aan zijn ouders stuurde. Lucas: „Het zijn de brieven van een heel normale jongen die de wereld afreist om piano te spelen.” Arthur: „Abnormaal normaal.” Staat er in de brieven ook hoe Mozart wil dat Mozart wordt gespeeld? Lucas knikt: „Je begrijpt hem er beter door. Hoe kinderlijk hij soms nog is. Zijn melige grappen. Als hij componeerde, schreef hij de noten op zoals hij ze hoorde. Verder niks. In de partituren staat nauwelijks iets over hoe ze gespeeld moesten worden. Heel anders dan Chopin of Liszt, die niks aan het toeval of interpretatie overlieten.” Arthur: „Mozart speel je op gevoel.”

Schaatstweeling

Ze namen de cd op met een wereldberoemd orkest – Academy of St. Martin in the Fields. Lucas: „Dat had ik zelf nooit durven voorstellen”. Dirigent was Neville Marriner, 91 jaar oud. Lucas: „Hoe lang duurden de opnames? Zeven, acht uur per dag? Niet één keer is hij gaan zitten.” Nee, schudt Arthur. „Geen keer.” Michael Schønwandt, een andere dirigent, vergeleek het dirigeren van de broertjes met het rijden van „twee BMW’s”. Deze zomer speelden ze op het Rheingau Musik Festival in Duitsland. „Als je het lijstje met grote namen ziet waar we tussen staan. Hoger kan bijna niet. ” Arthur: „Het gaat best goed met ons.” En dat is bijzonder, als je bedenkt hoeveel pianisten er op de wereld zijn, heel goede pianisten, die toch nooit in een concertzaal zullen spelen. Gewoon omdat er weinig vraag is naar concertpianisten. Arthur: „Bij sporters is de vijver met talenten ook groot. Er zijn heel veel goede turners. Een ervan, de beste, kan in korte tijd veel roem vergaren. Epke Zonderland won een Olympische medaille, over vijftig jaar nog steeds een legende. Maar wij moeten een carrièrelang de beste blijven.”

Keer op keer proberen recensenten te achterhalen wie van de twee beter is, en of er iets te vinden is dat hen van elkaar onderscheidt. Lucas, wordt dan gezegd, is de prozaïst, zijn jongere broertje de dichter.

Zij halen hun schouders erover op. Tussen hen geen competitie of jaloezie. Lucas: „Ik heb liever dat ik zelf slecht speel en niet mijn broer. Arthur: „Bij die schaatstweeling, de Mulder-broers is competitie goed. De een moet sneller zijn dan de ander om te winnen. Ons niveau moet gelijk blijven, anders kunnen we niet meer samen optreden.” En zou de een de ander durven zeggen dat hij achterblijft? Ze knikken. „We zijn voor onszelf strenger dan de strengste leraar.” Lucas: „We weten zeker dat we goed genoeg zijn. Je moet in jezelf geloven. Die arrogantie heb je nodig om op het podium te gaan staan. Ja, knikt Arthur. „Freddy Mercury [de overleden zanger van popgroep Queen] had ook weleens mindere dagen.” Hij zag een documentaire over hem. „Zodra hij het podium opkwam, gaf hij zich volledig.”

Na een paar concertvrije maanden gaan ze weer op tournee. Zien ze ertegenop of ernaar uit? Lucas: „Je klampt je eraan vast.” Arthur, weer met een vergelijking: „Je voelt je als een sporter een jaar voor de Olympische Spelen.” Oefenen, oefenen, oefenen.

Lucas: „Als ik een dag niet studeer, voel ik me slecht.”

Arthur: „Echt?”

Lucas: „Ja, dan is de dag kapot.”

Arthur: „Ik kan prima genieten hoor, van een dag geen piano.”

Lucas, tegen mij. „We hebben twee weken vakantie per jaar. Een week in de zomer, en een week wintersport. Die weken staan al zo lang van tevoren vast. Je weet dat het eraan zit te komen. Je bereidt je erop voor.”

Arthur trekt alleen zijn wenkbrauwen op. „Misschien wel.”

Lucas: „En als je dan na al die weken repeteren op het podium staat...”

Arthur: „Dan is alles anders. Je lichaam, je hartslag, je hersenen. Niet opgefokt. Heel rustig juist. Zeker als je weet dat je ...”

Lucas: „... goed bent voorbereid. Dat bedoel ik. Anders denk je toch aan die ene dag dat je niet hebt gestudeerd.”