Spreken is weer goud in politiek

Parlementariërs moesten in de 19de eeuw de collega’s in de bankjes overtuigen en in de 20ste eeuw de burgers voor de buis. Nu is het parlement weer dé politieke arena. Daar zijn goede sprekers in het voordeel.

Mark Rutte, premier sinds 2010, in de Tweede Kamer.

Het parlement – de naam zegt het al – draait om het gesproken woord. Discussiebijdragen en vragen aan het kabinet staan vaak op papier, maar ze doen pas ter zake als ze worden voorgedragen. En een interruptiedebat vraagt om improvisaties, ook al is het voorbereid. Het vragenuurtje in het Britse Lagerhuis is een theatraal duel tussen premier en oppositieleider, en elke goed geplaatste kwinkslag krijgt luide bijval van partijgenoten in de bankjes en op de publieke tribune. De kern van een parlement is het openbare debat en daarin strijden argumenten en emoties om de voorrang.

Gelijktijdig met de herdenking van twee eeuwen Eerste en Tweede Kamer verscheen dit najaar het boek Sprekende politiek van historicus Henk te Velde, hoogleraar vaderlandse geschiedenis in Leiden. Daarin behandelt hij, meldt de ondertitel, ‘redenaars en hun publiek in de parlementaire gouden eeuw’. Het boek gaat over ‘de bloei en het maatschappelijke gewicht van welsprekendheid’ in het 19de-eeuwse Britse Lagerhuis en de Franse Kamer van Afgevaardigden. Juist die twee, omdat ze onder tijdgenoten golden als de meest prestigieuze parlementen.

‘Bloeitijd’, ‘gouden eeuw’? Voor een belangrijk deel van de negentende eeuw was het kiesrecht in Groot-Brittannië en Frankrijk voorbehouden aan de aristocratie en de welgestelde burgerij. De legitimiteit van parlementen was dus beperkt.

De historicus legt uit: „Voor legitimiteit gelden ook andere maatstaven dan aantallen kiesgerechtigden. Beide parlementen konden op bepaalde momenten in de geschiedenis rekenen op massale steun van de bevolking. In Frankrijk was dat het geval tijdens de Revolutie, toen de Constituante maar liefst twaalfhonderd afgevaardigden telde en op de publieke tribune duizenden toeschouwers zaten. In Groot-Brittannië had het Lagerhuis, ook al telde het vooral aristocraten, het imago dat Oranje heeft in Nederland: beschermer van het gewone volk. Ook al werkte het niet zo, het gold als instituut waar ook het volk terechtkon met zijn wensen.”

Waarom is uitgerekend de 19de eeuw ‘het gouden tijdperk van parlementen’?

„Mijn boek gaat over welsprekendheid en die had in de negentiende eeuw een grotere maatschappelijke betekenis en een groter effect op de politiek dan in de eeuw daarna. Het deed ertoe of je goed kon spreken. Met welgekozen woorden vestigde je gezag onder je collega’s. Het parlement was een herenclub waarin je in het debat je positie moest bevechten. Als de regering iets gedaan wilde krijgen, kon ze zich niet beroepen op een regeerakkoord, want dat was er niet. Er was ook geen fractiediscipline. Er waren wel partijbanden, maar die waren losser dan tegenwoordig. Je moest in het debat laten zien dat wat je wilde, ook hout sneed.

„In het parlement werden regelmatig grote maatschappelijke vragen aan de orde gesteld en daarin speelde ook de oppositie een rol. Dat begrensde de speelruimte van kabinetten. Tegenwoordig steunen regeringen doorgaans op parlementaire meerderheden, maar dat was in de 19de eeuw niet altijd het geval. De koning kon een kabinet samenstellen dat een meerderheid in het parlement tegenover zich had. En dan was welsprekendheid als overtuigingsmiddel extra belangrijk.”

Op welk voorbeeld richtte het Nederlandse parlement zich in de 19de eeuw?

„Het woord ‘parlement’ valt in de eerste helft van de 19de eeuw bijna niet in de Tweede Kamer. Wij hadden een ‘Staten-Generaal’ en dat was iets eigens. In een parlement debatteer je op het scherp van de snede, en dat was in Nederland not done. Het ging erom gezamenlijk tot oplossingen te komen, eerder met overleg dan in debat. In de periode na 1815, die bekend staat als de Restauratie, zag je in de Franse Kamer van Afgevaardigden een enorme polarisatie: tussen monarchisten en liberalen, tussen erfgenamen en tegenstanders van de Revolutie. In Nederland werd in die tijd juist elk meningsverschil weggepoetst. Thorbecke, opsteller van de Grondwet van 1848, vond dat het parlement meningen veel scherper tegenover elkaar moest zetten.”

Retoriek is zowel overtuigen als ontroeren. Wie werd er in de 19de eeuw vooral overtuigd of ontroerd? Collega-volksvertegenwoordigers of het grote publiek?

„Dat verschuift in de loop van de 19de eeuw. Aan het begin van die eeuw draaide het in debatten om het overtuigen van afgevaardigden. Via hen bereikte je het relevante publiek – ook leden van de elite – dat op de publieke tribune zat of het Kamerverslag las in zijn courant.

„Door uitbreiding van het kiesrecht en de opkomst van massapartijen ontstond een sterk gevoel voor het politieke debat. En niet alleen in het parlement. Op massabijeenkomsten werden grote sprekers als Léon Gambetta, William Gladstone, Abraham Kuyper en Domela Nieuwenhuis met bewondering aangehoord. Rond 1900 verplaatste het meeslepende van het debat zich naar buiten de parlementen. Want daar sleepte je mensen niet meer mee; die zaten er als lid van een partij en waren onderworpen aan fractiediscipline. In de loop van de 20ste eeuw is de verbinding tussen het parlement en het grote publiek, zeker in Nederland, verdwenen. Maar we zouden nu weleens op weg kunnen zijn naar een hernieuwde verbinding.”

Want?

„In Nederland heeft de Tweede Kamer ingeleverd als controleur van de regering en misschien ook wel als medewetgever – door monisme, strakke regeerakkoorden en een oppositie die wel wat kan roepen, maar zonder effect. Tegelijkertijd is de rol van de Tweede Kamer als debatforum toegenomen. Zeker in vergelijking met de jaren zestig, toen de golf van democratisering zich volledig afspeelde buiten het parlement. Nu gaat het veel meer over wat er in de Kamer gebeurt. Wat doet Wilders? Daar is veel belangstelling voor; dat is iedere avond op het nieuws. Er valt van alles aan te merken op Wilders’ aanpak. Maar dat hij ruimte krijgt, komt door een verschuiving in de rol van de Tweede Kamer. Die hernieuwde forumrol wordt nog versterkt door nieuwe media. Hoogtepunten in een debat kunnen via internet eindeloos worden teruggedraaid.”

Is er een verband tussen de opkomst van populistische partijen in West-Europa en een terugkeer van pathos, een beroep op emoties, in de politiek?

„Voor Nederland is dat evident, al was het maar omdat in de Tweede Kamer de pathos zo lang afwezig was. Die was bijna altijd ondergeschikt aan de waardigheid van het parlement. Willem Drees kon soms met een zekere pathos in de Tweede Kamer spreken (zoals bij de Russische inval in Hongarije), maar heel ingehouden omdat hij als premier voor de waardigheid van de politiek stond. Dat kan Wilders geen fluit schelen. Eerder het tegendeel: door die waardigheid met voeten te treden toont hij zijn achterban: ik hoor bij jullie en niet bij Den Haag.”

Er wordt geklaagd over verruwing van het politieke debat. Is dat terecht?

„Ik denk dat wij ons daar in Nederland veel te druk over maken. Die kritiek is namelijk heel ambivalent. Aan de ene kant zeggen Kamerleden ‘tut tut’ als het weer eens hoog is opgelopen; aan de andere kant doen ze niks om het tegen te houden. Want ze zouden met zijn allen best de voorzitter meer bevoegdheden kunnen geven. Dat doen ze niet. Waarom niet? Omdat ze tegelijkertijd vinden dat de stemmen die in de maatschappij gehoord worden, ook in de Kamer moeten kunnen klinken. Van de Britse en Franse geschiedenis kunnen we leren dat heftig debat niet meteen tot rampen leidt en die – door ontlading en gemeenschappelijke discussie – zelfs kan helpen voorkomen. ”

Leggen argumenten in het politieke debat het intussen af tegen pathos?

„Wat Aristoteles in zijn Retorica ‘logos’ noemde, redelijke argumentatie, moet permanent beschermd worden. Het is nooit een rustig bezit. Als iemand roept ‘tsunami van buitenlanders’, zijn feiten en cijfers als antwoord niet voldoende, maar je hebt ze wel nodig, anders eindigt het redelijke debat. Soms moet je er ook keihard tegenin gaan. Zoals tijdens een recent debat, waarin Wilders in het nauw werd gedreven. Hij begon te schelden en noemde Pechtold ‘een nul’. Hij had kennelijk geen argumenten meer.

„In ieder parlement leeft de opvatting dat een politiek debat alleen kan functioneren als het met redelijke argumenten wordt gevoerd. Verder is er in Nederland een sterke traditie dat politiek eigenlijk neerkomt op besturen. Er zijn periodes waarin dit niet het geval was, maar in de hele 19de eeuw hoorde je: debat, jazeker, maar er moet wél iets gebeuren. Meningsverschillen of niet, als het erop aankomt moeten we een manier vinden om verder te gaan. En als dat niet in het parlement gebeurt, waar dan wel?”