Privégevoelens hoeven niet in de krant

Rutger Keyser (1939-2015) verkoos Ierland boven Nederland. Voor zijn vrienden was het een raadsel waarom hij daar de eenzaamheid zocht.

Rutger Keyser woonde de laatste jaren van zijn leven in het noordwesten van Ierland.

Begin oktober stond er een merkwaardige rouwadvertentie in deze krant. Hij meldde het overlijden van „burger no 070198263, geboren op 21 februari 1939 als Rutger Reinier Keyser”. Waarom iemands dood aanzeggen onder nummer?

Zo had zijn vader het beschikt, vertelt Meinard Keyser bij een kop koffie in een Amsterdams café. Zo luidden de instructies in het document ‘Sic transit gloria’ op zijn computer. Hij mocht niet worden aangeduid als ‘onze lieve vader, schoonvader’, stond er ook: „Privégevoelens (als die er al zijn) hoeven niet in de krant.” Waarom zijn sofinummer erin moest stond nergens, maar het was Meinard duidelijk welk statement zijn vader nog één keer wilde maken: „Dat niks meer persoonlijk is. Dat je altijd met een nummer moet komen. Dat alles volgens de regels moet, ook als die regels nergens op slaan.”

Rutger Keyser stierf in Ierland. Daar woonde hij de laatste vijftien jaar van zijn leven, alleen in een wit vrijstaand huis dat hij zelf had laten bouwen, een kwartier lopen van het dorpje Ardara, een paar kilometer van zee. Het vertrek naar Ierland, na de dood van zijn vrouw, had zijn vrienden overvallen. Tot dan toe had hij in Nederland een solide burgerbestaan geleid. Succesvolle loopbaan als organisatieadviseur, getrouwd, twee zoons. Twee keer maar was het gezin verhuisd, beide keren binnen Oudewater. „Wat ga je nou naar Ierland, heb ik tegen hem gezegd, wie ken je daar”, zegt oud-collega en vriend Joop Quint. „Hij zei: wie ken ik hier?”

Keyser, zoon van een marineofficier, had zich vaker eigenzinnig betoond. Een groot hockeytalent, een ster in het Nederlands jeugdelftal, liet hij de sport vallen toen hij technische natuurkunde ging studeren in Delft. Hij ging roeien want dat was, vond hij, dé sport voor studenten. Later vatte hij een passie op voor cricket. Na zijn studie zocht hij een baan in Zuid-Afrika, naar eigen zeggen omdat het cricket daar beter was. Een jaar of vier werkte hij bij een munitiefabriek annex mijnbedrijf, toen keerde hij terug omdat hij het apartheidsregime niet langer kon verdragen.

In Delft was hij lid van het corps, zelfs een jaar van het sociëteitsbestuur, maar ook toen had hij al iets solitairs, zegt Dick van Galen Last, president van hun jaarclub De Lastighe Gaelridders (1957). „Het was moeilijk tot hem door te dringen, hij had nogal een schil om zich heen.” De Delftse tijd lag hem na aan het hart. Hij was, zegt Joop Quint, a man’s man, in zijn element onder vrienden. Een man ook van principes en meningen, die zich mateloos kon opwinden over capriolen van de overheid, zoals het (nooit ten uitvoer gebrachte) plan om fluoride toe te voegen aan het drinkwater. Hij zette zijn eigen computers in elkaar, met het besturingssysteem Linux. Als zijn bank hem schreef dat iets niet kon omdat hij geen Windows had, schreef hij terug dat Linux makkelijker, beter, en veiliger was en dat de bank er zelf ook mee moest gaan werken.

Toen hij naar Ierland ging leek het even of hij helemaal verdween. Dick van Galen Last kon hem niet meer bereiken. „Had ik eindelijk zijn e-mailadres achterhaald, zei hij: ik wil niet dat iemand anders dat krijgt.” Joop Quint vond het tragisch, zijn vriend in die uithoek van de wereld. „Ik heb hem een keer opgezocht samen met mijn vrouw. Ik kreeg de indruk dat hij bijna niemand meer zag. Hij is eigenlijk een kluizenaar geworden.”

Ardara is bekend om zijn tweed, zegt Clare Molloy, die er al haar hele leven woont. Ze werkt zelf bij een weverij. Voor buitenlanders is het zo’n dorp waar het leven langzaam en goed is. Molloy werd aan Keyser voorgesteld door de pubeigenaar, als iemand die in het dorp zou komen wonen. Keyser vroeg haar een house warming voor hem te organiseren, zodat hij mensen kon leren kennen. Ze deed dat en bleef met hem bevriend.

Op het eerste gezicht kwam hij nurks over, zegt ze aan de telefoon, maar hij was een very nice gentleman met een bulderende, warme lach. Hij woonde prachtig aan de rand van een natuurgebied, een ruig landschap waar hij eindeloos kon lopen. De eerste jaren kwam hij veel in de pub, tot het rookverbod kwam. Sindsdien ging hij bij mensen thuis wat drinken of roken, of mensen kwamen bij hem. Een kluizenaar was hij niet, zegt Molloy, noch had hij een treurig leven. „Hij was gelukkig, deed wat hij wilde, was waar hij wilde zijn.” Wel was hij op zichzelf. Clare Molloy was een van de weinigen in het dorp die wisten van de dood van zijn oudste zoon, twee jaar geleden.

Keyser hield van eenzaamheid, was graag alleen met zijn gedachten. Af en toe noteerde hij een ingeving in het document ‘Grumpy old man’: „Definitie: een politicus is iemand die zich beroepshalve met andermans zaken bemoeit.” Hij zorgde dat er altijd genoeg te genieten viel. Zijn jenever en sigaren (Oud Kampen – Senorita Selection) liet hij overbrengen uit Nederland of hij laadde zelf zijn auto vol, de paar keer per jaar dat hij nog in Nederland kwam. In de zomer huurde hij een gîte in Frankrijk en ging wijnproeven. Lekkere wijnen sloeg hij groot in en nam hij mee terug.

Kanker velde hem. Nadat hij niet was verschenen op een chemo-afspraak, bleek dat hij in zijn huis was overleden. Of zijn uitvaart in Ierland of in Nederland was, maakte hem niet uit, stond in het document op zijn computer. Als het maar geen „droeve en zielige bijeenkomst” werd. Geen koffie met cake, liever een borrel met hapjes. En wat de as betreft: „Strooi maar wat (in d’een of d’andre hoek).”