Onze opera is de wereldtop

De Nationale Opera bestaat 50 jaar, waarvan 27 onder de artistieke leiding van Pierre Audi. Wat maakt het succesvolle Nederlandse operahuis uniek? Wat kan er beter? En heeft opera nog toekomst?

Lady Macbeth van Mtsensk van Dmitri Sjostakovitsj, een productie van De Nederlandse Opera uit 2006.

Wie De Nationale Opera zegt, zegt AAA. De A van Amsterdam, de A van artistieke topkwaliteit, de A van Pierre Audi. En dat al 27 jaar. Audi maakte in 1987 als deus ex machina zijn entree in het toen net opgeleverde Muziektheater, dat nu Nationale Opera & Ballet heet.

Charismatisch en raadselachtig was hij; een symbool voor een theaterwereld groter dan Amsterdam. De kosmopoliet Audi – in Parijs getogen, Libanese bankierszoon – had geen ervaring met opera. Maar in het avant-gardistische Londense Almeida Theatre had hij, net 30 toen, wel laten zien dat hij een vernieuwer was. Een initiator. Verbinder. „Al in het eerste gesprek viel ik voor hem”, zei Truze Lodder, zakelijk directeur van De Nationale Opera tussen 1987 en 2012, eerder in deze krant. „Van alle kandidaten riep hij verreweg het meeste geloof in de toekomst op. Door zijn persoonlijkheid en intelligentie.”

Waarom nu, bijna dertig jaar later, zo gedetailleerd terugkijken op de klik tussen Lodder en Audi? Omdat de annalen van De Nationale Opera ondeelbaar zijn van hun artistieke huwelijk. Tussen 1988 en 2012 bouwden Lodder en Audi – hij dromer, zij realisator – het gewonde, noodlijdende bedrijf dat DNO was op tot wat het nu is. „Wereldtop. Dat DNO coproduceert met andere tophuizen als Covent Garden in Londen en de Met in New York is een internationale trend, maar het bevestigt ook de internationale positie”, zegt regisseur Floris Visser. En dat is geen chauvinisme. Manuel Brug, operajournalist van Die Welt: „Amsterdam behoort samen met Brussel en Parijs tot de top drie operahuizen buiten Duitsland. Voor de beroemde en dure zangers kom je er niet. Wel voor spannende combinaties.” Hugh Canning van The Sunday Times: ,,De Nationale Opera heeft een gevoel voor avontuur en innovatie waar we in Groot-Brittannië jaloers op zijn. Audi bracht zijn gezelschap naar de absolute Europese top, wat gezien het relatief lage subsidiebedrag boven elke redelijke verwachting is.”

Wie zich een snel en bevredigend beeld wil vormen van De Nationale Opera, moet kijken naar de net gestarte tv-serie Bloed, zweet en aria’s. De veelomvattendheid van het operabedrijf wordt daarin belicht door aflevering na aflevering in te zoomen op een deelaspect. De koorzangers. De rekwisietenafdeling. Het pruikenatelier. De kostuummakers. „Het mooie aan Amsterdam”, zegt regisseur Lotte de Beer, die er nu Hänsel und Gretel regisseert, „is het egalitarisme. Operahuizen elders zijn vaak sterk hiërarchische, geoliede machines. Iedereen doet wat hij moet – en doet dat goed. Maar meer dan dat? Nee. Als je hier komt met onmogelijke ideeën, dan is de reflex omgekeerd. „Ha, leuk, hoe lossen we dát eens op?”

Opera is de duurste en meest veelomvattende kunstvorm. Juist dat maakt dat er ook zo oneindig veel over te zeggen valt. De ambities van DNO? Hippe, jonge regisseurs tonen, zoals in dit zeer volle jubileumjaar Jan Philipp Gloger (Strauss’ Der Rosenkavalier). De grenzen van het genre aftasten (Il trovatore, regie: straattheatercollectief La Fura dels Baus). Nederlands talent aan bod laten komen (Humperdincks Hänsel und Gretel door De Beer, ook met bariton Thomas Oliemans). En genoeg lievelingsrepertoire brengen, zoals Mozarts Don Giovanni in een ingekochte productie, want de laatste Amsterdamse ‘Don’ was een flop. En, last but not least: breed programmeren. Ook barokopera staat dus op het programma (Händels Ariodante), mét het barokorkest Concerto Köln, waarmee DNO terugkomt op een eerder, laakbaar besluit geen gespecialiseerde buitenlandse ensembles meer te willen engageren (want duur).

Talentontwikkeling

Was er dan nooit kritiek op De Nationale Opera? Moet er niks anders, beter?

Dat de era van Audi zo lang duurt, dát voedt nog weleens de discussie. Er is lof voor zijn koers, maar na bijna 30 jaar groeit de behoefte aan een frisse wind.

„Maar Audi nodigt als artistiek directeur wel al bewust regisseurs uit die anders werken dan hij zelf, die complementair zijn”, nuanceert regisseur Lotte de Beer. „Simon McBurney bij voorbeeld. Die Zauberflöte was een van zijn eerste operaregies, en erg succesvol. Het was Pierre die hem dat vroeg, die dat in hem zag.”

Te lang deed DNO ook bar weinig aan talentontwikkeling en educatie. Maar daar is recent verandering in gekomen. DNO werd lid van het European Network of Opera Academies (ENOA) en heeft sinds vorig jaar een eigen programma voor jong talent (samen met conservatoria, Reisopera en Opera Zuid), waaruit per jaar twee kleine producties voortkomen.

Wat in aansluiting daarop volgens velen beter kan, is de diversiteit van het aanbod. Niet alleen grote producties brengen in de grote zaal, maar óók met een kleine productiekern onder de vlag van DNO inhaken op de actualiteit. Snel een vluchtelingenopera maken om te tonen dat opera óók een maatschappelijk relevant genre is, zeggen regisseurs De Beer en Visser onafhankelijk van elkaar.

Floris Visser: „Opera reageert heel langzaam op de wereld om ons heen, omdat het een ingewikkeld genre is. Maar je kunt ook snellere, kortere operaatjes maken over wat ons nú bezighoudt en over drie maanden de première plannen. Händel schreef The Messiah in een week, dus het kán. Ik werk ook liever twee jaar aan een grote voorstelling. Maar het moet allebei.”

Lotte de Beer: „Dat zoveel Nederlanders nauwelijks weten dat er überhaupt een Nationale Opera bestaat, is gewoon zonde. Juist nu velen niet meer naar de kerk gaan, is opera met muziek, beeld en tekst hét genre waarin je kunt raken, en grote thema’s kunt aankaarten.”

Ook daarom zou het goed zijn meer te experimenteren, denkt De Beer. Repertoire bewerkt voor een kleinere bezetting of door jonge makers. Wagner in twee uur, in plaats van vier. De Beer: „Waarom niet werken met stempels, zoals ‘geschikt voor nieuwkomers’? Of een serie ‘Opera Dogma’, waar je – net als in de gelijknamige filmbeweging – minimalistisch te werk gaat en zo de wetten van het genre opnieuw ontdekt?” Op die manier, vult Floris Visser aan, werk je aan een breder en jonger publiek. „Als ik als 32-jarige zeg dat opera prachtig is, komt dat bij een leeftijdgenoot anders binnen dan wanneer een 65-jarige hetzelfde zegt. Dan denk je als dertiger toch eerder: opera? Misschien als ik zelf 65 ben. Terwijl het cruciaal is die missende generatie van tussen de 25 en 50 nu te betrekken.”

DNO werkt daaraan met een pas opgerichte Young Patrons Circle en avonden als de ‘Opera Flirt’. Visser: „Als je mensen grijpt als ze dertig zijn, blijven ze je trouw tot aan hun dood.”

Wie DNO wel al geruime tijd volgt en zich herinnert welke producties onder de huid kropen, ziet een afschaduwing van de artistieke koers. De Janácekproducties van regisseur Willy Decker bijvoorbeeld. De opera’s van Britten. Poulencs Dialogues de Carmélites, deze maand weer te zien.

Enig minpunt? De ernst. Voor luchtigheid en lol was in de annalen weinig plek – met de door het publiek warm omarmde, zonnige én poëtische commedia dell’ arte Rossini-voorstellingen van Nobelprijswinnaar Dario Fo als uitzondering; niet voor niets beleefde diens Barbiere di Siviglia vijf reprisereeksen, vertoningen elders in het land en verscheidene televisievertoningen. Maar verder is De Nationale Opera, ook in de repertoirekeus, een baken van ernst. Je kunt je bijna niet meer voostellen dat het glazuurvretende jolijt van de operette Boccaccio („tiroliroli, tirolirala!”) van Franz von Suppé door DNO in de jaren zestig meermaals werd uitgevoerd.

Dus als er twee verjaardagswensjes mogen zijn: laat regisseur Barrie Kosky eens een uitzinnige operette regisseren. En toon Meyerbeers Les Huguenots in de prachtproductie van Olivier Py die in 2011 te zien was bij de Brusselse Munt. 50 jaar opera zonder één Meyerbeer, dat is raar.