Niemand is vrij van illusies

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft haar indruk.

Jean Francois de Troy (1679-1752): De ontvoering van Europa, 1716 Foto Chester Dale Fund.

Voor het grootste deel is Gelukszoekers [1] een bundeling van eerder gepubliceerd materiaal van Ilja Leonard Pfeijffer over vluchtelingen en migranten: een gedicht uit de recente bundel Idyllen, een liedtekst voor Ellen ten Damme, een fragment uit de roman La Superba en een verzameling columns die Pfeijffer tussen 2007 en heden aan het onderwerp heeft gewijd.

Nieuw is een ‘Brief aan Europa’, gedateerd 5 oktober 2015, waarmee de bundel opent. Het is een hartstochtelijk schrijven aan de mythologische figuur waaraan het werelddeel zijn naam ontleent, de prinses die door de als stier vermomde oppergod Zeus van de kust van Azië naar Kreta werd gevoerd. Pfeijffer spreekt de nu stokoude Madame krachtig aan op haar in bloed gedrenkte geschiedenis, haar herinneringen aan migratie en haar tegenwoordige aftakeling. In woede en wanhoop beschuldigt hij Europa’s politici ervan haat te zaaien tegen de vluchtelingen en migranten die zij, Europa, nodig heeft en zou moeten verwelkomen.

In de columns verdedigt Pfeijffer de Europese eenheid en noemt hij solidariteit de wortel van de Europese gedachte. De opbrengst van de bundel komt ten goede aan ‘Werken zonder grenzen’ dat vluchtelingen helpt bij het vinden van een baan.

Freud voorspelde in zijn essay De toekomst van een illusie uit 1927 dat de teloorgang van onze collectieve illusies niet te stoppen is en de Vlaamse wetenschapsfilosoof Maarten Boudry (1984) geeft hem gelijk in Illusies voor gevorderden [2]: ‘Mensen komen er vroeg of laat achter dat God dood is, daar is niets aan te doen (...) De goden die nog leven weren zich als duivels in een wijwatervat, maar daarmee tonen ze alleen maar aan hoezeer ze in het nauw gedreven worden.’

Volgens door Boudry aangehaalde peilingen komt het aandeel atheïsten uit op 13 procent. ‘Nog nooit leefden er zoveel mensen op de wereld zonder religieuze illusies als vandaag, zowel in relatieve als absolute zin.’ Nu kan deze constatering ook een vorm van wensdenken zijn, Boudry geeft toe dat niemand vrij is van illusies. Maar die zijn niet onschuldig, betoogt hij aan de hand van voorbeelden van de schade en het geweld veroorzaakt door geloofsijver en utopische heilsverwachtingen. Zijn boek is even erudiet en overredend, zij het minder toegankelijk, als het werk van de strijdbare ‘nieuwe atheïsten’ zoals Richard Dawkins en Christopher Hitchens.

De beroemde componiste en zangpedagoge Catharina van Rennes (1858-1940) was een volkomen onafhankelijke vrouw die op eigen kracht een flitsende carrière maakte, nooit trouwde en van niemand financieel of anderszins afhankelijk was. Een groot voorbeeld voor feministen. Volgens haar biografe, Marjan Berk, was ze geen feminist, alhoewel ze sympathiseerde met Aletta Jacobs. Berks belangrijkste bron, de hoogbejaarde musicologe dr. Nancy van der Elst, aan wie Madonnakindje [3] is opgedragen, meent stellig dat de eigengereide Catherina met haar olijke manlijke kop ook niet lesbisch was. Wel zou ze liever een man zijn geweest, omdat ze dan dirigent had kunnen worden. Voor een vrouw was dat in haar tijd niet weggelegd. Niettemin heeft ze vaak uitvoeringen van haar eigen werk gedirigeerd en stond ze driemaal voor het Concertgebouworkest. Haar levenswerk was echter haar zangschool Bel Canto, met als beroemdste leerlingen Jo Vincent en prinses Juliana.

Marjan Berk slaagt er uitstekend in om haar eigen geschiedenis te verbinden met haar fascinatie voor deze historische figuur. Haar mooiste vondst zijn zeven brieven van Catharina aan de wereldberoemde bas-bariton Johan Messchaert. Toch weet ze niet aannemelijk te maken dat de twee een liefdesrelatie hadden, ondanks de suggestieve laatste zin van deze sprankelende levensbeschrijving.

‘Steeds vaker komt de pleegmoeder me ‘even onderstoppen’. Ze gaat dan naast me liggen, trekt haar onderbroek uit en drukt zich tegen mijn dijbeen, terwijl ze me aftrekt. Als ik klaarkom, vangt ze het sperma in haar slipje op en trekt het aan. Terwijl ze dat doet lig ik met gespitste oren. Ik snap niet dat de broers en de pleegvader niets merken. Tegen de broer zeg ik dat ik wil weglopen.’

Willem Knaap, schrijver van dit autobiografische relaas, moet nog vijftien worden als hij voor de zoveelste keer slachtoffer wordt van misbruik in een tehuis waar hij door de hulpverlening is geplaatst. Het kind met vijf namen [4] schreef hij al in de jaren negentig, vóór het omvangrijke misbruik van uit huis geplaatste kinderen algemeen bekend werd. Het boek is meer dan een aanklacht; de ijzingwekkende miniatuurtjes zijn literatuur.