Met z’n allen alleen in de stad

Alleenstaanden trekken massaal naar de stad. Daar is werk en gezelligheid. Maar waar moeten al die mensen wonen?

Over een tijdje leven de mensen in huizen waar robots de bedden opmaken en waar de gordijnen zich sluiten als je „Gordijnen! Dicht!” roept. Tenminste, dat waren de voorspellingen van visionaire ontwerpers zoals die in de ‘huizen van de toekomst’ werden verbeeld. Je had er een in Rosmalen (geopend in 1989) en een in Amsterdam (2004). Ze zijn al jaren gesloten. Niet omdat die toekomst inmiddels is gearriveerd. Maar omdat een woning waar je al tiptoetsend het huishouden doet geen wenkend perspectief is. Er is voor de toekomst van het wonen iets veel belangrijkers dan techniek: de samenstelling van de bevolking. De demografie.

Daarbij gaat het om twee veranderingen. Ten eerste worden de Nederlandse huishoudens kleiner en talrijker. Volgens het CBS neemt de komende decennia, als gevolg van de vergrijzing, het aantal mensen toe dat alleen komt te staan doordat hun partner overlijdt of naar een verpleeg- of verzorgingshuis gaat. Bovendien komen scheidingen relatief vaker voor dan in het verleden, waardoor ook meer en kleinere huishoudens ontstaan. (zie inzet)

Ten tweede is er een sterke trek naar de steden in het westen van het land. Die zal nog toenemen, aan de randen van Nederland zal de bevolking gaan krimpen.

Die twee dingen gaan veel voor het wonen betekenen. Aan de randen van Nederland is er straks een ruime keuze aan leegstaande eengezinswoningen aan stille woonerven, in de Randstad zal het inschikken worden. Misschien kunnen onverhuurbare kantoorpanden en verlaten fabriekshallen, lege moskeeën, failliete banken en opgeheven gevangenissen uitkomst bieden. Er zullen meer containerwoningen en andere tijdelijke woningen komen, is de verwachting.

Waarom wil toch iedereen naar de stad? Voor het werk en de gezelligheid. De landbouw en de industrie hebben minder arbeidskrachten nodig, in de stad kunnen de kenniswerkers en dienstverleners aan de slag: verkopers, webdesigners, kappers, psychologen, organisatieadviseurs, projectleiders en horecapersoneel. Steden zijn de laatste tientallen jaren ook een stuk aantrekkelijker geworden. Ze zijn schoner, de huizen en de voorzieningen van betere kwaliteit.

En de stad, zegt de Amsterdamse stedenbouwkundige Ton Schaap, is de plek waar al die alleenstaanden de eenzaamheid kunnen bestrijden. Schaap ontwierp in Amsterdam IJburg en het Oostelijk Havengebied. Zijn doel: „De bewoners in de stad houden. Daar zijn allerlei mogelijkheden voor ontmoetingen. Het publieke domein is er op een prettig-menselijke schaal vormgegeven. Jongeren komen er om te werken, te studeren en een partner te vinden. De stad is een paaiplaats, je kunt je wederhelft treffen op de fiets.”

Er komt nog iets bij, zegt Rudy Uytenhaak, een van de grand old men van de Nederlandse architectuur. Hij ontwierp in Amsterdam onder meer het woongebouw Droogdok en woonblokken in het Olympisch Kwartier. „Moderne mensen leven digitaal. Ze surfen veel. Dat willen ze ook in het echte leven. Boodschappen doen, naar de bibliotheek, op de hoek met een vriend of een vriendin een espresso drinken – in een stad kan het allemaal en op een klein oppervlak.”

Betaalbare woningen

Maar toch, eenzaamheid ligt op de loer, zegt Ton Schaap. „Ik verwacht dat mensen op zoek gaan naar nieuwe samenlevingsvormen om dat risico te verkleinen.” Woongroepen zijn hier en daar weer in opkomst, maar ze verschillen van de communes van de jaren zestig en zeventig. Ze zijn minder ideologisch en vooral praktisch. Veel jonge mensen vinden het gewoon gezelliger en goedkoper om een woning te delen.

Neem de toren die architect Paul de Ruiter in Amsterdam ontwierp, vlakbij de voormalige Shelltoren. Die nieuwe toren telt 22 verdiepingen met onder meer 147 appartementen die elk bestemd zijn voor twee friends. Voor twee jongeren, of twee gepensioneerden, dat kan ook. Ze hebben ieder hun eigen slaapkamer en badkamer. En ze delen de woonkamer, keuken en toilet. De toren is pas eind volgend jaar klaar, maar bijna alle appartementen zijn al verhuurd, voor het merendeel aan jongere mensen. „Er is een grote behoefte aan betaalbare woningen voor alleenstaanden”, zegt De Ruiter. „Gezinswoningen worden nu ook vaak gehuurd door een paar vrienden. Maar die woningen zijn eigenlijk ongeschikt.”

De trek naar de stad wordt ook aangewakkerd door de emancipatie. „Vrouwen berusten niet meer in een bestaan als moeder in een overloopgemeente”, zegt Uytenhaak. „Ze combineren kinderen met een carrière, in de stad.”

Maar ja, wie in Amsterdam op ongeveer 90 vierkante meter wil wonen, moet drie keer modaal verdienen. Dan toch maar naar Hoofddorp of Purmerend? „Wethouders van grote steden zouden zich moeten afvragen wat voor stad we eigenlijk willen”, zegt Uytenhaak. „Er is nu zes jaar nauwelijks gebouwd, dus de druk is enorm opgelopen. Het is nog niet zo erg als in Londen, waar je dertien keer modaal moet verdienen om er te wonen. Maar ik pleit voor een gezonde stad. Een stad waar ook gezinnen en kinderen wonen. Dan is die ook aantrekkelijk voor ouderen.”

Maar kan dat dan nog? Moeten we bij gebrek aan ruimte de hoogte in? „Nee!”, zegt Uytenhaak. „Dan verlies je het contact met het maaiveld, en het gaat ten koste van de openbare ruimte.” Wat dan? „Als je goed kijkt zijn er plekken waar een stedelijke overheid nog iets kan doen.”, zegt Uytenhaak. „Als je in Amsterdam op het terrein van een tramremise een busstation zou bouwen – er bovenop bijvoorbeeld - en daar ook het kantoor van het Gemeentelijk Vervoerbedrijf zou onderbrengen, heb je van drie locaties één gemaakt. En komen er twee vrij voor woningbouw.”

Maar dan moeten de grondkosten in toom worden gehouden, zegt hij. „Gemeenten verdienen veel met de verkoop van de grond of door de erfpacht. Dat is een kortetermijnsucces. Je krijgt er geen gevarieerde stad mee, want de huizen worden dan te duur.”

Leegstaande fabriekshallen

Leegstaande fabriekshallen en kantoorpanden dan? Die zijn er volop, en hier en daar worden ze ook al bewoond door ondernemende starters of binnenhuisarchitecten. Maar wettelijke regels en koppige eigenaren maken bewoning vaak moeilijk. Dat zal veranderen, voorspelt planoloog Zef Hemel, hoogleraar Grootstedelijke Vraagstukken aan de Universiteit van Amsterdam. „Ik zie als belangrijkste woontrend voor de komende tijd een sterke flexibilisering. Mensen wonen nu eens hier, en dan weer daar, banen zijn tijdelijk geworden. We zullen moeten wennen aan tijdelijke contracten, ook in het wonen, aan vreemden om ons heen. De gangmakers zijn de globalisering en de informatietechnologie. Daardoor zijn we allemaal in beweging gekomen. Er zijn natuurlijk mensen die dat niet willen. Nou, welkom in de nieuwe tijd!”

Er meldt zich de komende decennia een extra miljoen huishoudens op de woningmarkt. Die willen óók allemaal de stad in. Moeten er dus een miljoen huizen in de Randstad worden gebouwd? „Daar moet je mee oppassen”, zegt Frank van Dam, onderzoeker bij het PBL (Planbureau voor de Leefomgeving). „Nu houden de babyboomers nog veel huizen bezet. Maar uiteindelijk gaan ze dood, en dan komen er per jaar tienduizenden woningen vrij.” In de Randstad zullen die wel aftrek vinden. Maar daarbuiten zal de vraag geringer zijn dan het oplopende aanbod. Als je daar dus flink gaat bouwen loop je een groot risico op een toekomstig overschot.”