Leken we maar een beetje op die Belgen...

In het ideale Koninkrijk zijn de restaurants Vlaams en de wegen ernaartoe Nederlands, meent Christiaan Weijts.

Je merkt het al als je in België een trein instapt. ‘Opgelet! Vermijd een toeslag. Koop je biljet voor het instappen.’ Waar ze in Nederland meteen met boetes dreigen, verstaan ze in België de kunst van het indirecte, de subtiele tekens: geen boete, nee een ‘toeslag’, die je kunt ‘vermijden’ door je kaartje niet na maar al vóór het instappen te kopen. Anders nog iets, mijnheer?

In Nederland hebben we tegen het water moeten vechten, en omdat we dat met z’n allen moesten doen, is er een horizontale overlegcultuur ontstaan, het poldermodel, waarbij iedere belanghebbende een stem had. Als ik morgen een grote tuinkabouter op mijn schoorsteen wil timmeren, dan moet er eerst een commissie over vergaderen met een wethouder, drie wijkbewoners, twee milieuambtenaren, en uiteraard een vertegenwoordigster van de vrouwenbeweging.

Aan de vergadertafel van ons wonderlijke poldermodel hebben we geleerd dat alle stemmen gelijkwaardig zijn, en we dus direct, kortaf en helder moeten zijn. Gewoon bij Albert Heijn. Dat zou ons levensmotto kunnen zijn. Toen die supermarkt zich uitbreidde naar Vlaanderen, kreeg het daar als slogan: ‘Bij deze Albert bent ú koning.’ In Nederland is het: ‘Gamma, dat zég ik.’ In België is er de speelse dubbelzinnigheid: ‘Gamma, hoe maakt u het?’

Als gelijkwaardige partners rond de tafel moet iedereen om ’t hardste roepen. Slim bezig! Gewoon doen! Jazeker! Maar ook: Daar moet een piemel in! – tijdens een inspraakavond over vluchtelingenopvang, een tafereel waar de Vlamingen stomverbaasd en geschokt naar gekeken hebben, zo begreep ik uit een stuk in De Standaard (ook te lezen in NRC) afgelopen week van Nederbelg Marc Reugebrink.

In de Belgische verticale machtsverhoudingen moet je subtielere tekens afgeven. Tegenover hoger en lager geplaatsten moet je suggereren in plaats van poneren. Je moet het geraffineerde spel met sociale codes beheersen. Dat is waarom Belgen veel sterkere humor en satire hebben. De Humo, Kamagurka, Zonde van de Zendtijd, Benidorm Bastards, Herman Brusselmans... Vlamingen hebben een scherper ontwikkeld zintuig voor ironie, voor de omweg, voor de speelruimte tussen het letterlijke en het bedoelde.

Wat nu als de Belgische Opstand succesvol was neergeslagen en wij één koninkrijk waren gebleven? Onvermijdelijk zouden de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden elkaar sterker hebben beïnvloed, waardoor het horizontale zou mengen met het verticale en iets nieuws zou opleveren: ‘het diagonale’?

Den Haag zou van dat grote koninkrijk van dertig miljoen zielen nog altijd de politieke hoofdstad zijn, al was het maar omdat de Belgen herhaaldelijk hebben bewezen dat ze geen regeringen kunnen vormen. Dat Brussel destijds als zetel voor het Europese Parlement is gekozen, mag gerust een historisch wonder heten, dat nooit had plaatsgevonden als we één land waren gebleven. Dan was Den Haag Europese hoofdstad geworden, want wij hebben het Vredespaleis, het Internationale Strafhof en tal van ambassades en andere internationale instituties.

Ik zou zeggen: het Europees Parlement aan zee. Scheveningen, in plaats van die lelijke flats en casino’s rond het Kurhaus. Belangrijke bijvangst – om in visserijtermen te blijven – zou zijn dat de Noord-Nederlander hierdoor wat minder navelstaarderig en wantrouwend tegenover de grote boze buitenwereld was geworden.

Geheel naar de Hollandse hypocriete volksaard zouden we ineens trots zijn op onze status van Europese hoofdstad. Want zo doen wij dat toch? Elke vreemdeling van buiten is nieuwkomer, gelukszoeker en probleemschopper totdat ze gouden medailles gaan winnen, dan lees je in de krant ineens over ‘de Arnhemse Sifan Hassan’, de ‘Utrechter Ibrahim Afellay’ etc.

‘Hullie’ in dat verre Brussel zouden ineens ‘ons Europa’ zijn, waarop we trots zijn. Wat zeg ik? Fíer! Want in dat ideale koninkrijk winnen de Vlaamse woorden het van het noordelijke gesnauw. Fier, droogkuis, duimspijker, goesting… Ja, laat ons fier zijn als een gieter en doen alsof wij het zelf waren die Europa hebben uitgevonden, met dat zee-parlement op maar een boogscheut van het Binnenhof.

Vooral voor ons Nederlandse onderwijs was het beter geweest als we de Belgische Opstand effectief de kop hadden ingedrukt. In ons koopvaarderland draait alles om cijfers, rendementen, Cito-scores en eindexamenresultaten. Zelfs de kleinste kinderen zijn al berekenende handelaars. In het noorden kennen we van alles de prijs maar van niets de waarde.

In het noorden is het onderwijs vernield door experimenteerdrang, waarbij vaardigheden belangrijker werden dan kennis en feiten. In België doen ze dat heel anders. Daar heeft kennis nog waarde, en is er ook veel meer aandacht op scholen voor kunst en cultuur. Met als gevolg dat de musea en concertzalen vol jongeren zitten, terwijl grote delen van onze cultuursector alleen nog door hoogopgeleide bejaarden overeind worden gehouden.

In het ideale Koninkrijk der Nederlanden zijn de restaurants Vlaams en de wegen ernaartoe Nederlands. De stedenbouwkundigen zijn er Nederlands en de onderwijzers Vlaams. Heineken kan bier wereldwijd verkopen; België kan iets brouwen wat ergens naar smáákt. Hollanders kunnen kletsen, paaien, schreeuwen en drammen; Belgen kunnen denken en beargumenteren. Om kort te gaan: geef de logistiek en de grote structuren in Hollandse handen en laat de inhoud, smaak en ambacht maar over aan de Belgen.

Nederland kan een spoorlijn aanleggen, maar krijgt er geen rijdende treinen op. In Antwerpen kunnen ze wel friet met stoofvlees maken maar geen Lange Wapperbrug. Dus sta je er op de ringweg altijd in de file.

Tot voor kort, want de verkeersdienst heeft er een Hollandse ingreep verricht. De pijlen boven de wegstroken (pardon: ‘baanvakken’) wezen altijd omhoog, maar zijn nu, naar Hollands voorbeeld, omgedraaid. Sinds ze omlaag wijzen zijn er veertig procent minder files, zo bleek vorige week.

Een woordvoerder van de Belgische verkeersdienst gaf in de Volkskrant een verklaring, die meteen al katholiek-mystiek klonk: ‘Het heeft ook een psychologisch effect: wat naar beneden wijst, voelt als eindig. De pijl naar beneden dwingt de automobilist nu te handelen, de pijl naar boven neemt die dwingendheid weg.’

Het is tekenend: de Hollandse mentaliteit wijst omlaag, down to earth, gericht op de eindigheid der dingen, terwijl de Vlaamse opwaarts wil wijzen, in nevelige verten.

In het ideale geval bewoonden we nu samen een koninkrijk waarin het beste van die twee werelden samengaan.

Correcties en aanvullingen

Pijlen bewegwijzering

In Leken we maar een beetje op die Belgen... (7/11, p. O&D4) staat: „De pijlen boven de wegstroken (pardon: ‘baanvakken’) wezen altijd omhoog, maar zijn nu, naar Hollands voorbeeld, omgedraaid.” Dit is onjuist. De pijlen wezen altijd omlaag en wijzen tegenwoordig omhoog.