Ik vond het nooit erg om bijrolletjes te spelen

In de voorstelling Hoe mooi alles speelt acteur Kees Hulst (63) een veelgeprezen rol als dichter-bioloog Leo Vroman. Voor Hulst kwam de echte erkenning pas op latere leeftijd. „Misschien kan ik mijn kwaliteiten de laatste jaren wat meer uitserveren.”

Foto Andreas Terlaak

Neus

„‘Jullie zijn het echt’, horen Esther Scheldwacht en ik vaak. Mensen denken dat dat komt omdat we uiterlijk op Leo en Tineke Vroman zouden lijken. Kester Freriks schreef in NRC Handelsblad dat ik met mijn lange, gebogen gestalte ‘verrassende gelijkenis’ vertoonde met Vroman. Maar hij was een heel klein mannetje! En ik ben 1 meter 87. Het gaat niet om de buitenkant, wij spelen gewoon goed. Toen ik me voorstelde aan Mirjam van Hengel, de auteur van het boek Hoe mooi alles, waarop onze voorstelling gebaseerd is, draaide ze mijn kin en profil om te kijken of mijn neus groot genoeg was. Maar daar gaat het niet om. Ik ben ook niet besneden. Zijn buitenproportionele neus was een probleem voor Vroman, ook omdat hij Joods was. Dat laat ik zien door aan het begin van de voorstelling een grote nepneus te dragen. De kracht van suggestie, hè? Het is en blijft theater.”

Versleten nekwervels

„Wat me wel bezighield, was hoe ik Vroman niet alleen als oude man maar ook als 23-jarige zou kunnen spelen. In de voorstelling blikt Vroman terug op zijn leven, in het bijzonder op de Tweede Wereldoorlog en de eerste tijd daarna. Met mijn 63-jarige lijf en drie versleten nekwervels, waardoor ik soms pijn heb en mijn normale beweeglijkheid kwijt ben, wilde ik toch een jonge man neerzetten. Ik denk dat het gelukt is, ook weer vooral door de binnenkant te laten zien van de jonge Vroman. Zijn bangigheid, zijn wereldvreemdheid, zijn angst voor de liefde. De manier waarop hij zich als krijgsgevangene van de Japanners plooit naar de situatie. Dat meebuigen van hem zie je ook in hoe hij met Tineke omgaat, haar nooit kwaad willen maken, altijd de vrede in stand houden.”

Kleuterjuf

„Ik speel vanaf mijn vierde toneel – toen ontdekte ik dat ik de kleuterjuf kon verleiden. Op een middag had ik even geen zin meer in school, ik wilde naar huis. En ik ging met mijn hoofd op mijn armen liggen. Opeens hoorde ik de juf boven me: ‘Goh jongens, Kees slaapt.’ Zachtjes riep ze mijn naam. Maar ik sliep helemaal niet! Ik besloot om in mijn rol te blijven. Ineens kreeg ik een soort aandacht die ik normaal niet kreeg. Thuis speelden we ook toneel, want in een groot gezin – we waren met acht kinderen – moet je om aandacht vechten. Op tafel springen en zeggen: ‘Kijk mij!’ Misschien is dat wel het wezen van toneelspelen. Het is bij mij altijd vanzelf gegaan, en ik vond het leuk. De spanning tussen vormbesef en het laten stromen van je eigen creativiteit, dat beviel me heel erg. Op het toneel kom ik dichter bij de essentie van mezelf dan in het dagelijks leven.”

Vleesmes

„Het was ingewikkeld om te schipperen tussen de wereld van school en thuis. We woonden in Amsterdam-West, in wat nu de Baarsjes heet, in een huis dat veel te klein was voor zoveel mensen. Ik was de enige van de kinderen die naar het gymnasium ging, en had als enige een eigen kamer, op vierhoog, op de zolder van mijn oma, die bij ons woonde. Mijn vader had zich laten overhalen door het hoofd van de lagere school, maar hij zei altijd dat het de grootste fout van zijn leven was om mij naar het gymnasium te laten gaan. Het waren de jaren zestig en het Vondel was een heerlijke creatieve, semi-anarchistische bende met jonge, enthousiaste leraren. Thuis had ik moeite om me te gedragen volgens de wetten van het huisgezin. De belangrijkste wet was: normaal doen. Een spijkerbroek dragen hoorde daar niet bij, dat was iets voor arbeiders, vond mijn vader. Hij had zich opgewerkt van machinebankwerker tot ambtenaar. Als ik een coltrui droeg, vroeg hij smalend of ik soms last van mijn keel had. Van mijn zelfverdiende geld kocht ik op het Waterlooplein een persianer bontjas, die waren toen hip. Met een vleesmes heeft hij ’m stukgesneden.”

Drop-out

„Mijn vader en ik luisterden weleens met zijn tweeën, als de rest al naar bed was, naar de dagsluiting van dominee Okke Jager of pater Leopold Verhagen. Dan rookte hij nog even een sjekkie en vroeg ik: ‘Heeft u zoveel kinderen omdat dat moest van de Katholieke Kerk?’ Wóedend werd hij dan. Ik was een lastige ellendeling. Toen hij een hartinfarct kreeg, was dat mijn schuld. Alles wat ik zei of deed, werd gewantrouwd. Hoewel hij van operette hield en zelf een goede tenorstem had, vond mijn vader het belachelijk dat ik wilde acteren. Op mijn 16de mocht ik meespelen in de film Drop-out van Wim Verstappen en Pim de la Parra. Daarin trekt een groepje scholieren in een autobusje met een blote vrouw erop geschilderd door Nederland om jongeren op te roepen tot verzet tegen het onderwijssysteem. Toen de film een half jaar later uitkwam, werd in een filmprogramma op tv een scène vertoond uit Drop-out. Leunend tegen de blote vrouw op het busje vertel ik aan een vriendinnetje hoe ik van huis ben weggelopen. Mijn vader ontplofte. ‘Wat zullen we nou krijgen? Eruit!’ Precies eigenlijk zoals ik het speelde in de film. Toen ik op de Toneelschool zat, kwam hij toch één keer kijken naar een voorstelling. Omdat Jacques Commandeur meedeed, zei hij. Aan het eind zag ik hem zitten in de zaal van het Universiteitstheater. Hij stak zijn duim op. Na zijn dood hoorde ik van een buurvrouw dat hij honderduit had verteld over die voorstelling en apetrots was.”

Onhandige man

„Omdat ik zoveel verschillende dingen doe, van serieus toneel tot film, musical en series voor het grote publiek, wordt weleens gedacht dat ik elke aanbieding aanneem. Maar heel vaak zeg ik: ‘O, je zoekt een kale man? Dan moet je die nemen.’ Of: ‘Je zoekt een onhandige man? Bel hem maar.’ Vooral als de mensen met wie ik moet samenwerken leuk zijn, ben ik geneigd om ja te zeggen. En dan maakt het me minder uit om wat voor genre het gaat. Er is altijd wel iets te leren en ik ben nieuwsgierig. Ook een rol als die van Van ’t Sant, de adjudant van Wilhelmina in de musical Soldaat van Oranje, probeer ik persoonlijk te maken en enige diepgang te geven.”

Louis d’Or

„In 2010 kreeg ik de Louis d’Or voor mijn rol als Jörgen Hofmeester in Tirza, het stuk naar de roman van Arnon Grunberg. Ik was al drie keer eerder genomineerd voor de prijs, dus voor die tijd was ik ook al opgevallen. Dat ik de laatste jaren meer de aandacht trek als acteur is jouw perceptie. Misschien kan ik mijn kwaliteiten de laatste jaren wat meer uitserveren, dat is mogelijk. Vorig jaar vroeg André van Duin me om met hem het stuk The Sunshine Boys te spelen, zijn debuut als acteur in het theater. De recensies waren onverdeeld juichend. Ook op Hoe mooi alles komen veel lovende reacties. Ik heb jarenlang bij gezelschappen gezeten, en dan vond ik het nooit erg om bijrolletjes te spelen ten behoeve van een productie. Ik kom uit een groot gezin, ik was gewend om genoegen te nemen met wat ik op mijn bord kreeg. Zo’n gezelschap als het Zuidelijk Toneel was voor mij ook een soort familie. Als je je ondergeschikt maakt aan het grote geheel, kom je wellicht minder snel bovendrijven.”

Huntington

„Vorige week speelden we in Heiloo. Daar heb ik het graf van mijn grootvader ontdekt. Hij is op 10 mei 1940, de dag van de Duitse invasie, gestorven in een krankzinnigeninrichting. Hij leed aan de ziekte van Huntington, een heel nare psychiatrische aandoening die vaak eindigt in zelfmoord. De ziekte zat in de familie, twee zussen van mijn vader hadden het ook. Mijn broer heeft dat uitgezocht, hijzelf heeft er nooit over willen praten. Achteraf denk ik dat mijn vader zo streng was voor mij omdat hij, door mijn afwijkende gedrag, bang was dat die ziekte ook bij mij sluimerde.”