Ik hoop dat mensen niet meer wegkijken

De eerste roman van Kim van Kooten gaat over de jeugd van een vriendin, Pauline Barendregt. „Er zijn geen handdoeken, dus droogt ome meneer haar af met zijn handen.”

Pauline Barendregt: „Laten we elkaar geen mietje noemen. Het boek gaat over mij.”Kim van Kooten: „Mijn leven triggert mij niet. Ik raak geïnspireerd door verhalen van anderen.” Foto Andreas Terlaak

Puck is jarig. Ze is vijf geworden, en ze staat met haar moeder op de stoep van een Rotterdamse achterstandswijk te wachten op een zwarte, glimmende auto. Naast hen staan hun koffers. Haar moeder heeft gereageerd op een contactadvertentie: ‘Heer (niet onbemiddeld) zoekt hulp in de huishouding’. En nu komt die meneer hen ophalen. Eenmaal in Zwijndrecht, in de kapitale villa waar de man woont, wordt Puck overladen met kado’s. Haar moeder, geestelijk matig begaafd, krijgt de leesmap en elke dag een fles rosé. De man – ‘ome meneer’ en later ‘papa’ genoemd – is pedofiel. Vanaf dag één wordt Puck misbruikt.

Zo begint Lieveling, de debuutroman van Kim van Kooten die vrijdag is verschenen. Van Kooten, de actrice die we kennen van Zusje, Onder het hart en Hollands Hoop. Van Kooten, scenarioschrijver van, om maar twee films te noemen, Alles is Liefde en Alles is Familie.

Al op pagina 16 van Lieveling vindt het eerste misbruik plaats, maar voordat u denkt dat het een zwaar slachtofferverhaal is: dat is het niet. Of liever, dat is het wel. Maar het is óók een boek vol humor. Het boek kent gruwel en grap, een haast verboden combinatie. Kim van Kooten zet de lezer in het hoofd van Puck – van haar 5de tot haar 13de jaar – en Puck is grappig, hilarisch soms. Bovendien weet Van Kooten met de liefdevolle lichtheid van haar pen op subtiele wijze het seksueel misbruik neer te zetten, soms door niets meer dan suggestie. En dan zijn er nog de bijfiguren als oma Crooswijk met haar sigarenstem en plat Rotterdamse uitspraken. Dat alles in het decor van de – in retrospectief toch opbeurende – jaren tachtig met mohair truien en pailletjes, monchichi-knuffels en de kinderserie J.J. De Bom.

De ontucht vindt vaak plaats in de badkamer. Er zijn geen handdoeken, dus droogt ome meneer Puck af met zijn handen. ‘Harenwassen gebeurt op zondag, woensdag en vrijdag’, schrijft Van Kooten dan. Later wordt Pucks moeder op twee cursussen gezet, boerenbontschilderen en zoutloos koken. ‘Dat zijn bij elkaar vier avonden in de week dat papa en ik alleen thuis zijn. Plus nog steeds drie keer in de week harenwassen. Maakt zeven avonden in de week precies. Papa’s geluksgetal.’

„Laten we elkaar geen mietje noemen. Het boek gaat over mij”, zegt Pauline Barendregt tijdens de boekpresentatie van afgelopen maandag. Barendregt is een vriendin van Kim – ze kennen elkaar van het schoolplein van hun kinderen – en op haar levensverhaal is het personage Puck gebaseerd. En die volwassen Puck, Barendregt dus, heeft nu, nadat ze eerst jarenlang head of design bij G-Star was, haar eigen bureau dat modemerken helpt met hun designstrategie. Pauline Barendregt duikt niet weg voor haar verleden. Ze staat op de foto op de achterflap van het boek en ze zit bij alle interviews naast Kim van Kooten.

Waarom wilde u mee in de publiciteit?

Barendregt: „Ik wilde geen anonieme bron in een stil hoekje zijn. Als kind schaamde ik me ervoor, maar als volwassene niet. Ik heb niets verkeerd gedaan, ik heb gewoon slechte kaarten getrokken. En alles wat ik zelf heb aangepakt in het leven, daar ben ik trots op. Zoals dit boek. Kijk, het is een taboe om erover te praten. Zelfs als vrienden langskwamen praatte ik eromheen als ze naar mijn jeugd vroegen, maar tegelijkertijd hou je het daarmee een ver-van-je-bed-show, terwijl het dat voor veel kinderen niet is. Het is goed om erover te praten vind ik.”

Op een avond zaten Van Kooten en Barendregt bij elkaar in de tuin. Van Kooten was net klaar met het scenario voor Alles is Familie en was doodop. Van Kooten: „ ‘Wil je dan geen andere vorm om te schrijven, een roman bijvoorbeeld’, vroeg Pauline. Dat wilde ik wel, maar ik had geen verhaal. Nou, dan heb ik misschien wel wat voor je, zei ze.” Van Kooten en Barendregt maakten een ‘werkafspraak’ en Barendregt vertelde haar verhaal.

Van Kooten: „Dat was een bizarre afspraak. Daar aan de keukentafel hebben we gehuild en tegelijk ook verschrikkelijk gelachen. Maar Pauline zei er meteen bij dat ik vooral moest bedenken of ik er een roman in zag. Ik heb toen bedenktijd gevraagd, maar ik wist het al: dit is een boek.”

Van Kooten en Barendregt spraken elkaar daarop de afgelopen drieëneenhalf jaar met grote regelmaat. En Barendregt mailde herinneringen, anekdotes, plaatjes en muziek, Van Kooten mocht daarmee doen wat ze wilde. Zo gauw Van Kooten dan een stuk had geschreven mailde ze dat weer naar Barendregt, voorafgegaan door een appje ‘je hebt mail’ zodat ze er niet door overvallen zou worden.

Waarom wilde u juist Kim van Kooten als auteur?

Barendregt: „Dat bedacht ik pas toen na die avond in de tuin. Ik was al vanaf mijn zeventiende van plan mijn jeugd op papier te zetten, maar ik wilde geen ellende-verhaal dat in het schap van de zelfhulpboeken terecht zou komen. Ik ben ontwerper, ik wilde een mooi boek. Een boek dat humor zou bevatten en een groot publiek zou kunnen bereiken. Kim zou dat allemaal kunnen, bedacht ik toen.”

Van Kooten: „Het is ook voor mij heel persoonlijk geworden. Ik ben natuurlijk in Paulines ziel gedoken, maar er zit ook veel van mij in Puck, al kan ik niet precies aangeven wat. Het is allemaal zo verweven met elkaar. In elk personage stop ik iets van mezelf, dat is bij scenarioschrijven ook zo. Als mensen mijn werk goed vinden dan is dat daarom, denk ik: omdat ik alles persoonlijk maak. Ik denk over alles na, ook bijrollen schrijf ik alsof het hoofdrollen zijn. Toch was deze roman persoonlijker. Bij een scenario gaat de regisseur er nog mee aan de slag, de acteurs, de artdirector, nu liggen mijn woorden in de winkel.”

Als actrice duikt u in de wereld van anderen, ook bij dit boek doet u dat. Waarom?

Van Kooten: „Mijn leven triggert mij niet. Ik raak geïnspireerd door verhalen van anderen. Ik vind het bijvoorbeeld fijn om te huilen bij een boek of een film. Omdat het raakt aan iets van jezelf maar je hoeft er niet te diep in, je zit tenslotte die film te kijken. Dat zijn de lekkerste huilmomenten. Als gevoel heel persoonlijk wordt is het niet meer mooi. Dat is wat ik wil: een privé-gevoel een vorm geven waardoor het van iedereen wordt.”

Op de achterflap staat ‘na het lezen van Lieveling wil je Puck niet meer alleen laten’, maar eigenlijk is het zo dat je Puck tijdens het lezen niet alleen wilt laten en dus het boek in een ruk uitleest. Ook omdat niemand naar haar omkijkt.

Barendregt: „Dat was voor mij de belangrijkste reden om dit boek te willen maken. Dat je als lezer weet dat dit gebeurt, hier en nu, dat pedo’s niet alleen in het buitenland zitten en in de bosjes. Ik heb eens uitgerekend dat bij mij in de straat – zo’n drukke Amsterdamse straat – twee kinderen moeten zijn die iets dergelijks nu meemaken. Ik hoop dat mensen die dit boek lezen voortaan niet meer weg kunnen kijken als ze vermoeden dat er iets mis is.”

Van Kooten: „Daarom is zo’n herkenbare setting van de jaren 80 ook belangrijk. Het blauwe pak van Jerney Kaagman, de grappen van André van Duin. Maar terwijl jij dus danste op Duran Duran gebeurde dit óók. Waar was je?”

Niemand in het boek doet iets. En het duurt frustrerend lang voordat Puck het durft te zeggen.

Barendregt: „Een kind heeft geen oordeel. Het heeft geen referentiekader. Ze is niet boos op de moeder die niet ingrijpt. Ze is niet boos op de leraar die haar hints niet oppakt. Als kind begrijp je zelfs niet dat dat wat ome meneer doet écht fout is. Wat hij doet voelt als vervelend, maar nagels knippen of je kamer opruimen is ook vervelend. Al hou je altijd een stem diep van binnen die zegt: dit is niet in de haak, om vervolgens snel aan iets anders te denken.”

Van Kooten: „Het is heel moeilijk om misbruik te signaleren, laat staan om het te melden. In die zin begrijp ik de wegkijkende leraar en winkeljuffrouw best. Zo’n juffrouw heeft ook een rotman thuis en een kat die alles onderpoept en een demente moeder. Iedereen dealt met zijn eigen leven en je kunt er weinig bij hebben.”

Barendregt: „En toch. Ik hoop dat er na het lezen van het boek een poortje is open gezet in je hoofd. Dat je weet dat het kan gebeuren. Maar dit boek is niet geschreven uit rancune. Ik wil geen angst zaaien. En ik wil ook niet dat mensen stenen door de ruiten van vermeend pedoseksuelen gaan gooien, daar is geen kind mee geholpen. Ome meneer is overleden en met mijn moeder heb ik al twintig jaar geen contact, dat hoeft voor mij ook niet. Ik ben blij met het leven dat ik heb opgebouwd.”