Column

Iets praktischer graag, ja, iets Amerikaanser

Probeer eens een Amerikaan uit te leggen waarom de Europese Unie in zijn voegen kraakt omdat er 600.000 of 700.000 vluchtelingen zijn komen aanlopen. Okay, in december zullen dat er een miljoen zijn. Maar dan nóg begrijpt de Amerikaan niet wat het probleem is. Een miljoen, zegt hij, dat is minder dan 0,2 procent van de bevolking van de 28 lidstaten. „Waar zijn jullie zo bang voor?”

Hij redeneert rationeel. Maar veel Europeanen kunnen dat niet over Europese problemen. Niet tijdens de eurocrisis, en nu helemaal niet meer. Ze relativeren niet meer; emoties krijgen de overhand. Politiek in Europa raakt steeds meer gebaseerd op angst. Die is het grootst in Oost-Europese landen waar, op een enkeling na, geen vluchteling langer wil blijven dan strikt noodzakelijk.

Migratiedeskundigen blijven zeggen dat je deze influx in goede banen kunt leiden, omdat het vooral een managementprobleem is. Als Europese vliegvelden soepeltjes tienduizenden reizigers per dag verwerken, moet dat even ordentelijk lukken met een fractie daarvan op een Grieks eiland. Of aan de Servisch-Kroatische grens. Dat heet processing.

Kijk naar Duitsland, het land waarvan de regeringsleider probeert niet toe te geven aan angsthazerij. „We kunnen dit aan”, heeft bondskanselier Merkel gezegd. Dus zet ze alle hulptroepen klaar. Duitsers investeren enorm in dit management – cruciaal: als het faalt, verliezen burgers het vertrouwen in de instituties en dus hun hoop dat alles goed komt.

Het woord ‘vertrouwen’ is belangrijk. In de Verenigde Staten bedraagt de federale begroting bijna 25 procent van het bbp van de deelstaten. Als er een nationaal probleem is, is er geld beschikbaar. Daar hoeven de deelstaten niet over te soebatten, laat staan dat Iowa of Virginia elke federale beslissing met een veto kan torpederen.

In Europa zijn landen, net als in de VS, steeds meer gaan delen: één munt en één Schengenzone waarin landsgrenzen zijn uitgegomd. Maar de bevoegdheid om beslissingen te nemen als er binnen zo’n zone problemen komen, is nationaal gebleven. De financiën ook: de Europese begroting beslaat al sinds de jaren zestig amper 1 procent van het bbp van alle lidstaten – terwijl er sindsdien zoveel méér Europa is gekomen. Die 1 procent moet Brussel elk jaar in de lidstaten bij elkaar bedelen alsof het een aalmoes is. Dat Brussel zelf inkomsten kan genereren door bijvoorbeeld belasting te heffen, blokkeren de lidstaten al sinds jaar en dag.

Als de VS een groot probleem hebben, met hun munt of met migratie, kunnen ze de ‘bazooka’ erop zetten: snelle beslissingen en financiële ondersteuning zijn gegarandeerd. In de EU zijn beide onmogelijk. Landen met EU-buitengrenzen, zoals Griekenland en Italië, zijn kwaad omdat ze te weinig hulp krijgen bij grensbewaking. Zweden en Duitsland voelen zich door Portugal of Frankrijk in de steek gelaten: waarom nemen zij niet wat meer vluchtelingen op? Bulgarije en Slovenië weten dat ze, zodra het rijke noorden grenzen gaat sluiten, één groot vluchtelingenkamp worden.

Iedereen wantrouwt iedereen. Als Europese instellingen qua besluitvorming en geld goed geëquipeerd waren geweest, had je dit wantrouwen kunnen dempen. Nu gebeurt het omgekeerde. Emoties worden gerenationaliseerd. We worden geregeerd door de politics of fear. Nu Europees management zo hard nodig is, wordt het steeds moeilijker om dit te organiseren.

Daarom is de vluchtelingencrisis, die in de VS vooral een praktisch probleem zou zijn, in Europa een existentieel probleem. Als Europa wil zijn zoals Amerika, is het kristalhelder wat ons te doen staat.