Het stadskind drinkt pumpkin latte

Ze volgen het jeugdprogramma van de schouwburg en kopen dure koffie. Kinderen veranderen de stad.

Vrijdagmiddag: een filiaal van Starbucks op een van de drukste punten van de Amsterdamse binnenstad. Er werkt een handjevol volwassenen op een laptop, verder zijn het scholieren die aan de koffie zitten of een stukje taart delen. Twee tafeltjes worden bezet gehouden door blonde jongetjes die door hun goedgeklede moeders worden getrakteerd. In de rij voor de balie staan groepjes tieners. Ze bestellen een Pumpkin Spice Latte of een Caramel Frappucino, de kleinste variant kost 4,05 euro.

Er waren altijd al kinderen in de stad, maar het is door de toename van het aantal middenklasse gezinnen dat steden als Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht flink aan het veranderen zijn. Het zijn volgens stadsgeograaf Lia Karsten van de Universiteit van Amsterdam de gezinnen van de ‘yup’, de young urban professionals die ‘parent’ zijn geworden. Deze hoger opgeleide, relatief welvarende ouders verhuizen tegenwoordig niet meer als vanzelfsprekend de stad uit als ze kinderen krijgen, maar azen op de woningen die gepensioneerde huizenbezitters achterlaten of betrekken nieuwbouwhuizen aan de randen van het centrum. Uit praktische overwegingen: vader en moeder werken allebei vier tot vijf dagen per week, meestal in de Randstad, en dan is het handig als werk en opvang bij elkaar in de buurt zitten. Maar ook omdat ze aan de stedelijke levensstijl gehecht zijn geraakt.

Neem Amsterdam. In 1964 woonden er 105.000 kinderen in de basisschoolleeftijd; halverwege de jaren tachtig daalde dat aantal tot 45.000 door de trek naar Almere, Lelystad en Purmerend. In 2015 zijn het er alweer bijna 63.000 en voor 2025 wordt een verdere stijging naar ruim 67.000 verwacht. Die groei wordt volgens stadsgeograaf Willem Boterman van de Universiteit van Amsterdam niet zoals voorheen gevoed door migrantengezinnen – het geboortecijfer in deze groep daalt juist – maar door middenklasse gezinnen.

Die toename van hoger opgeleiden met hogere inkomens zie je van Stockholm tot Kopenhagen en van Berlijn tot New York. Het leidt tot een nieuwe groep in de westerse binnensteden: de urban families. Anders dan kinderrijke migrantenfamilies in gebieden met veel sociale huurwoningen, is het een mondige, commerciële groep die de binnenstad beetje bij beetje verovert. Boterman wijst ter voorbeeld op de aandacht voor stadsparken. Het gebruik van parken in Rotterdam, Amsterdam en Utrecht is volgens hem „spectaculair gegroeid.” Omdat ze vaak geen tuin hebben, is het voor de kinderen een plek om vriendjes te ontmoeten, terwijl vader en moeder de krant zitten te lezen of met hun kennissen wijn drinken. De gemeentes komen de stadskinderen tegemoet met pierenbadjes, picknickplekken en horecapaviljoens.

Een ander gevolg, ziet Boterman, is de explosie op de stedelijke fietspaden. Middenklassescholieren en hun ouders fietsen kriskras door de stad naar hun scholen en werk. Het is tegenwoordig uitkijken geblazen voor de elektrische bakfiets die snelheden van 60 kilometer per uur haalt. En zomaar op tennis of voetbal gaan, is er voor deze kinderen niet bij, omdat de wachtlijsten voor sportverenigingen boven verwachting zijn gegroeid. Dankzij deze kinderen gaan de Cito-scores in de stad omhoog, mede omdat hun ouders helpen met huiswerk, en bijles kunnen betalen als dat nodig is. In de jaren tachtig, vertelt Boterman, waren sommige stedelijke gymnasia op sterven na dood, nu barsten ze uit hun voegen.

Culturele ontwikkeling

In de vier grootste Nederlandse steden is een bloeiende culturele jeugdsector ontstaan, die het wegvallen van subsidies enigszins moet compenseren. Bibliotheken, boekwinkels, bioscopen, schouwburgen, muziektheaters, danspodia, musea; alle culturele instellingen bieden tegenwoordig jeugdprogramma’s. Een kinderboekenschrijver in de bibliotheek, een collegereeks in een natuurhistorisch museum; de kinderen hoeven zich geen minuut te vervelen. Hun ouders hechten aan culturele ontwikkeling, en bovendien is het door een tekort aan veilige openbare ruimte niet makkelijk om buiten te spelen, daarom hebben vader en moeder behoefte aan gereguleerde activiteiten die liefst een beetje educatief zijn. Voor culturele, gezonde familie-uitjes hebben de ouders heel wat over, weet Ike de Rooij, jeugdmarketeer in Rotterdam.

De stadswijken waar de middenklassekinderen opgroeien, transformeren radicaal, blijkt uit onderzoek van stadsgeograaf Lia Karsten. In het pand van de sigarenboer komt een speelgoedwinkel, de oude snackbar wordt een biologische snacksalon met glutenvrije kroketten van scharrelvlees, de zaak van de kruidenier wordt een fietsenwinkel. Ook andere diensten komen de wijk binnen. Een orthodontist voor de slotjesbeugels, een kookstudio waar de kinderen hun feestjes vieren, kinderkappers, brillenzaken met het soort monturen dat van de scholieren kleine professoren maakt, een muziekschool, kinderopvang, kinderyoga, psychologenbureaus die testen op dyslexie, dyscalculie, hoogbegaafdheid, ADD, ADHD.

Een grote verandering, signaleert Karsten, is de opkomst van de familiehoreca: cafés en restaurants met speelplekken, ruimte voor kinderwagens en een kindvriendelijk menu; daar eten de kinderen op een woensdagmiddag een tosti terwijl pappa de kleine in de buikdrager een flesje geeft dat warm gemaakt is door het personeel.

Gezelligheid

Indoor speelpaleizen met goede koffie, de zandbak als plek om over de laatste film te praten; onderzoekster Karsten ziet de scheidslijnen tussen wat voor kinderen en wat voor volwassenen was in de openbare ruimte verdwijnen. Er ontstaat, signaleert zij, een stedelijkheid in de luwte door het middenklassekind. Bankjes voor het huis. Zandbakje op de stoep. Het maakt de stad vriendelijker.

Maar in die gezelligheid wordt niet iedereen betrokken. Uit gesprekken met Boterman, Karsten en jeugdmarketeer De Rooij ontstaat het beeld van een stadsjungle waar vader en moeder met machetes voorop lopen, scherp naar links en rechts turend, om voor het kind de weg van gevaren vrij te banen. Karstens onderzoek laat zien dat de strikte ouderlijke begeleiding van A naar B met de auto of de fiets bij stadskinderen tot „sociale verarming” leidt, omdat er, anders dan vroeger, geen mogelijkheid meer is kinderen van andere sociale klassen onderweg op straat te ontmoeten. In de dorpen lukt dat wel; daar spelen de kinderen van de slager en de huisarts samen op het dorsplein. Ook de vrijetijdsbesteding is ‘gesegregeerd’, bijles, muziekles, hockey, het zijn vooralsnog voornamelijk domeinen voor de middenklassekinderen; alleen voetbal niet. Het is beter voor de stedelijke samenleving, denken de onderzoekers, als die kinderen elkaar wél kennen.

De alerte yuppenouders maken iedere mogelijke obstructie op de weg van het kind met de grond gelijk. Door de rector geschorst? Een bevriende advocaat stelt een brief op waar het schoolhoofd de kou van om het hart slaat. Te weinig te doen in de klas? Moeder komt naar school om extra werk te eisen; straks ga je onderpresteren. Willem Boterman vindt dat het gedrag van ouders wel eens haaks staat op aandacht voor het collectieve belang dat een goede stedeling zou moeten kenmerken. Het is afwachten wat hun voorbeeld voor het stadsburgerschap van de kinderen gaat betekenen straks.