Column

Grote vragen

Het haar van Pieter Hilhorst, je kon er deze week niet omheen. De gewezen presentator en columnist die faalde als Amsterdams wethouder en de PvdA een electorale afgang bezorgde, vertelde in diverse media dat hij zijn krullen had afgeknipt om als lijsttrekker geloofwaardig over te komen. Dat was een symbolische knieval geweest. Hilhorst: „Ik heb altijd een wilde krullenbos gehad. Nu had ik me laten ompraten om mijn haar te knippen. Dat staat voor mij voor de gekortwiekte idealist.”

Toen Hilhorst voor de zoveelste keer over zijn haar vertelde, en ik begon te vermoeden dat zijn narcisme hem misschien wel meer fataal was geworden dan zijn idealisme, dwaalden mijn gedachten onwillekeurig af naar het kapsel van Geert Wilders. Als we het toch over haar als handelsmerk hebben, dan heeft Wilders het beter begrepen dan de PvdA-adviseurs. Die geperoxideerde uitzinnigheid verbeeldt een permanent buitenstaanderschap in de politiek – ook al zit de man in de Kamer sinds het tweede kabinet-De Geer.

Behalve een lichte haarfetisj hebben de mannen nog iets gemeen: de boodschap dat het huidige establishment het contact met de samenleving kwijt is. Hilhorst: „Ik werd in de verkiezingscampagne de vertegenwoordiger van zestig jaar rood regentendom, terwijl ik als ombudsman en als columnist me altijd tegen het regentendom heb gekeerd. Mijn hele politieke programma keert zich tegen: ik bepaal voor jou wat goed is.” Wilders, vrijdag in de Volkskrant: „Het regime in Den Haag is wereldvreemd en spreekt niet langer namens het volk. […] Daarom moet ons politiek bestel op de schop.”

Zeker, beide mannen staan een totaal andere samenleving voor. Hilhorst droomt van een nieuwe solidariteit tussen empowered citizens in een pluriforme samenleving en Wilders van een imaginaire, uniforme agressieve volkswil. Ik ben voor het eerste en tegen het laatste. Maar waar het om gaat is dat beiden de huidige gevestigde politieke orde als bijkans onoverkomelijk struikelblok voorstellen.

Van wie is de volgende uitspraak? „Het is tijd om onze democratie te vernieuwen en zowel lokaal als nationaal de directe democratie in te voeren.”

De afkeer van het politieke establishment komt nu van alle kanten, van links en rechts. Hoe gevaarlijk is dat? En gaat het om afkeer van een bestuurlijke elite die in zichzelf opgesloten is geraakt of gaat het om een bedenkelijke haat tegen het politieke bedrijf als zodanig? Gaat het om schoppen omdat schoppen zo lekker is, of schoppen omdat je de boel wil vernieuwen? Kortom, gaat het om gevaarlijk nihilisme of de behoefte aan nieuw elan?

Bij de presentatie van de politieke memoires van Hilhorst over zijn één jaar wethouderschap ging oud-PvdA-leider Wouter Bos voor de zoveelste keer los tegen columnisten zoals ik omdat die hun maatschappelijke taak zouden verzaken: u aan uw verstand brengen dat democratische besluitvorming noodzakelijk compromissen met zich meebrengt. Kritiek op de PvdA wordt in die partij steevast opgevat als kritiek op de politiek. Zowel Bos als Diederik Samsom heeft daar een antwoord op, dat inmiddels tot hun onmachtige mantra is geworden: salonpopulisme! Als ik u beter had uitgelegd dat politiek geven en nemen is, stond hun partij nu zeker hoog in de peilingen.

Dat Bos het zielloos pragmatisme van zijn partij, met als symbool zijn kwartetspel tijdens de formatie van dit kabinet, nog steeds probeert te verkopen als voorbeeldig democratisch handwerk, illustreert de blindheid die Samsom deed mislukken als partijleider – hij heeft er niet eens zijn haar voor hoeven afknippen.

Het is dezelfde blindheid die ervan uitging dat de burger het wel zou snappen als de economie zou bijtrekken. Het is dezelfde blindheid die verwacht dat de kiezer weer vanzelf toestroomt als Samsom vlak voor de verkiezingen plaatsmaakt voor Asscher. Het is blindheid die er van uit gaat dat Hans Spekman de partij alsnog smoel zal geven wanneer hij maar over zijn arme jeugd blijft vertellen.

Ze zien het niet. Samenhang, samenleving, gemeenschap – wat hebben wij in dit land met elkaar te maken? Wat zijn we elkaar verplicht, wat zijn we elkaar verschuldigd? Dat zijn de grote vragen die het politieke establishment stug blijft negeren – en het verklaart de groeiende weerzin zowel op links als op rechts. Het zijn de vragen die in het hart van de gevestigde politiek moeten worden teruggebracht. Met of zonder haar.