Feyenoord houdt hem in leven

Feyenoord-clubicoon Gerard Meijer (80) beleeft zondag zijn 138ste Klassieker. Hij lijdt aan parkinson. „Ik krijg het benauwd als ik over mijn afscheid nadenk.”

Gerard Meijer houdt zijn handen in de lucht. Dikke, stevige vingers, getekend door tientallen jaren noeste arbeid. Hij kneedde er de spieren mee van Willem van Hanegem, Coen Moulijn, Johan Cruijff, Dirk Kuijt. De vingers staan krom. Artrose, vertelt hij. Iets van de laatste jaren. Zoveel kracht legde hij in de massages van de Feyenoord-spelers. „Maar ik kan ze nog goed bewegen hoor.”

Gerard Meijer, in augustus 80 geworden en 56 jaar werkzaam voor de club. Niemand is zo populair bij de aanhang als hij, de jarenlang onverwoestbare masseur en verzorger. Hij pompte de ballen op, vulde de bidons, legde de tenues klaar, zorgde voor voldoende toiletpapier in de kleedkamers, sprak urenlang in vertrouwen met spelers, sprintte met waterzak het veld op als iemand iets mankeerde, zwaaide met zijn handdoek als het publiek zijn naam scandeerde en sprak in crisistijden de harde kern toe als ze in opstand dreigde te komen tegen selectie of bestuur. ‘Ome Gerard’ – rustpunt bij een ontvlambare volksclub.

Masseur en verzorger is hij sinds 2009 niet meer – na vijftig jaar was het genoeg. Maar hij is nog niet klaar bij Feyenoord. Meijer heeft zich de afgelopen jaren op zijn nieuwe rol toegelegd, ‘ambassadeur voor het leven’.

Hij zit in een bureaustoel in zijn ‘Ambassadors Room’, in het Maasgebouw, pal naast de Kuip. „Het is een klein museum”, zegt hij. De ruimte hangt vol met wedstrijdvaantjes, sjaals, shirts, foto’s, bekers. Achter Meijer hangt een vaantje: ‘Winnaar Europacup 1970’. Hij was erbij.

Zondag is Meijer er ook bij, als Feyenoord thuis tegen Ajax speelt, zijn 138ste Klassieker. Hij miste in 56 jaar één wedstrijd van zijn club. In de jaren zestig was hij zo ziek dat hij de busreis voor een duel in Den Bosch onderbrak en bij Gorkum een taxi terug nam naar Rotterdam. Voor de Kuip stapte hij uit om over te geven, maar viel met zijn gezicht op een veld met sintels van steenkool. Hij haalde zijn gezicht en knieën open. Hij doet even zijn grote zwarte bril af en wijst naar zijn neus, een litteken herinnert aan het incident.

Zeven begrafenissen in één week

Hij heeft net een nieuwe leaseauto gekregen via de club. Voor de dagelijkse ritjes vanuit zijn woonplaats Dordrecht. Een zwarte Opel Mokka, een automaat – wel zo fijn voor zijn zwakke knieën. De auto staat deze donderdag naast de hoofdingang van het stadion, waar niet geparkeerd mag worden. Niemand die er wat van zegt, omdat het Gerard Meijer is.

Hij staat op de loonlijst bij Feyenoord. Op zijn visitekaartje staat de functietitel ‘ambassadeur’. Hij heeft het er druk mee. Meijer leidt gasten rond met een VIP- arrangementen bij thuisduels, onderhoudt het contact met oud-spelers, bezoekt zakelijke evenementen. Altijd strak gekleed in Feyenoordkostuum. Naar begrafenissen gaat hij nu minder. „Vorig jaar had ik eens zeven begrafenissen in één week, van supporters en bekenden van de club. Dat werd emotioneel te zwaar.”

Fans zoeken contact. Hij zit op LinkedIn en Facebook. Zondag kreeg hij 130 e-mails, na het verlies bij ADO. Veel teleurgestelde fans die hun frustratie met hem wilden delen. Woensdag kreeg hij bijna vijftig e-mails, een doorsneedag. „Ik denk weleens, heb ik er net dertig weggewerkt, krijg ik er weer vijftig binnen.”

Het gebied rond de kleedkamers was zijn habitat, met de massagetafel als middelpunt. De overstap naar kantoor, zes jaar terug, was groot. „Zeiden ze: hier is je computer. Ik wist niet wat een computer was, ik kon niet met zo’n ding omgaan.” De secretaresse hielp hem, hij leerde snel.

24 jaar is Meijer als hij solliciteert bij Feyenoord. Hij leerde in zijn tienerjaren masseren in de boksschool van zijn vader Teun, gewaardeerd masseur in de bokswereld. Ooit masseerde de jonge Meijer boksheld Bep van Klaveren. In augustus 1959 zoekt Feyenoord nog een masseur voor een oefenduel die avond, hij mag komen. Meijer rijdt op zijn brommer naar het stadion, spullen op de bagagedrager.

Voetballen voor Feyenoord deed hij nooit, hij kwam niet verder dan rechtsback in de jeugd van Sparta. Hoe kon hij – de sympathieke verzorger uit Rotterdam-West – uitgroeien tot clubicoon? „Lang bij de club zitten, altijd voor iedereen klaarstaan. Tijd is niet van belang, aanwezig zijn is het belangrijkste.”

Tijdens het 100-jarig jubileum in 2008 kreeg Meijer Legioenpas nummer 1, wat erop neerkomt dat hij Feyenoorder van de eeuw is. De aanhang koos hem boven Wim Jansen, Van Hanegem, Moulijn. Hij veert op uit zijn stoel, pakt zijn portemonnee en laat het pasje zien. ‘Legioen nr. 000001’ ‘G.G. Meijer’

Er is ook een tribune in de Kuip naar hem vernoemd. „Mensen zeggen, ga toch op vakantie, of naar dit of dat. Maar dit is mijn leven. Als ik thuis ga zitten zijn ze me zo vergeten.”

Algemeen directeur Eric Gudde loopt even binnen. Hij wijst naar de hoek van de kamer. Een koelkastje vol met blikjes Coca-Cola Zero. Gudde: „Dat is het enige wat hij drinkt, daar begint hij ’s ochtends vroeg al mee.” Meijer: „Dag en nacht. Dit is mijn lijfdrank.”

Fred Blankemeijer

Tien grote potten snoep staan in het kantoor, ‘Gerard’s snoephoek’. Met een muntenbakje, want er moet wel betaald worden. Hij is misschien wel de warmste man van de club. Spelers namen hem in vertrouwen om te praten over privézaken en kleedkamerfrustraties, zoals gebrek aan speeltijd. Dan ging de deur van de massagekamer op slot en luisterde hij, toonde begrip, gaf advies. Meijer is vaak benaderd om een boek te schrijven, maar hij doet het principieel niet. „Er is nooit iets naar buiten gekomen van die gesprekken. Die verhalen neem ik mee in mijn graf.”

Bij de deur hangt een foto van de illustere clubman Fred Blankemeijer. „Die let op me, elke dag. Ome Fred.” Hij was onder meer speler, manager en perschef bij Feyenoord. De twee waren bevriend. Een jaar na zijn vertrek bij Feyenoord overleed Blankemeijer. Zondag is zijn vijfde sterfdag, op de dag van Feyenoord-Ajax.

Hij was net als Meijer verknocht aan de club. In een dubbelinterview met zijn weduwe Joke Blankemeijer in het novembernummer van Feyenoord Magazine zegt Meijer: „Hij hield van je. Maar Feyenoord was het belangrijkste.” Dat geldt voor hemzelf ook, erkent Meijer. „Ik hou van mijn vrouw. Maar hier staat mijn eerste huis, mijn tweede is in Dordrecht.”

Zijn vrouw Emile zei vorige maand in supportersblad Hand in Hand dat als Meijer de bezoekjes aan de Kuip niet had gehad, hij er nu niet meer was geweest. Meijer: „Ja, dan zou ik het heel moeilijk hebben. Ik ben graag thuis, heb een leuk appartementje, maar dit is mijn leven. Een dagelijkse tred.”

Meijer lijdt sinds vorig jaar aan de ziekte van Parkinson. Tijdens het gesprek trilt zijn rechterhand af en toe. „Als ik de hand onder controle houd, gaat het wel. Als hij gaat trillen en ik concentreer me erop, dan stopt het. Het zit in je kop natuurlijk, die Parkinson. Ik zit vaak met mijn mond open, daar moet ik op letten.”

Meijer zit in de beginfase van de ziekte, hij functioneert nog goed. Dinsdag was hij bij de neuroloog. „Die was zeer tevreden, ik hoef pas over vier maanden terug te komen. Het wordt niet veel erger, het gaat langzaam. Het probleem nu is dat ik wat moeilijker praat. Ik loop ook bij een logopedist, en bij de fysiotherapeut. Ik moet alles doen om de zaak soepel te houden.”

Toen Blankemeijer vanwege zijn gezondheid weg ging bij de club, was dat het begin van het einde, zegt zijn vrouw. „Zijn doel was weg, hij had niets meer om voor te leven.” Meijer: „Dat staat mij natuurlijk ook te wachten. Het is niet te voorspellen wat er gebeurt, hoe lang het duurt.” Met een afscheid is hij niet bezig. „Dat schuif ik voor me uit. Daar wil ik niet aan denken, anders krijg ik het benauwd.”

Hij moet weg, naar de fysiotherapeut. Hij slikt nog snel wat medicijnen. „Drie keer anderhalve pil per dag, dat remt de parkinson af.” Dan vliegt hij de trap af, soepel en in snel tempo. Net als vroeger, de snelste verzorger ooit.