Echt debat? Hier nooit

Vorige week schreef ik in deze bijlage over het Overton-window. Politieke ideeën kun je plaatsen op een schaal van ‘ondenkbaar’ tot ‘beleid’. Extreme ideeën worden niet van het ene op het andere moment in beleid omgezet, maar ze oefenen trekkracht uit op de mainstream en brengen nieuw beleid dichterbij.

Thinktanks moeten het grote publiek ‘onderwijzen’ in alternatieven, stelde Overton, net zo lang tot ze praktisch voorstelbaar worden.

De rechterflank van de Amerikaanse politiek lijkt zijn theorie ijverig in praktijk te brengen: Glenn Beck, Rush Limbaugh, Bill O’Reilly, Sean Hannity, Ann Coulter. Ze zijn populaire, onvermoeibare pleitbezorgers van radicaal-rechtse ideeën. In Nederland voldoet vooral Geert Wilders aan dit profiel, en dat de PVV het ‘raam’ van de politieke redelijkheid de afgelopen jaren heeft verschoven, lijdt geen twijfel.

Nederlanders houden niet van tegenstellingen, wij gaan elkaar wel graag verbaal te lijf, maar dat is theater, van echte tweespalt worden we nerveus. Ten diepste willen wij consensus. Echt debatteren – vanuit werkelijk tegengestelde uitgangspunten een probleem analyseren en bespreken – doen we in Nederland maar zelden.

De conclusie na Fortuyn was dat er meer gedebatteerd moest worden over immigratie en integratie, en er wordt sindsdien inderdaad meer over dat onderwerp gepraat, maar echte debatten zijn het eigenlijk nooit. In die gesprekken gaat het meestal vooral over Geert Wilders en wat hij nu weer gezegd heeft. Wat daarop de beste reactie is of zou moeten zijn, wie de meest deugdzame positie ten opzichte van Wilders inneemt. Wij nemen liever ‘afstand’ van iets waar we tegen zijn dan precies te formuleren waar we staan.

Een ‘anti-Wilders’, die met evenveel charisma en succes een geheel andere analyse propageert, die bijvoorbeeld op de sociaal-economische kant van immigratie focust, in plaats van op de sociaal-culturele, die niet zegt ‘zij behoren tot een inferieure cultuur die wij moeten onderwerpen’ maar ‘zij behoren tot een kansarme onderklasse die wij moeten verheffen’ – zo iemand is er niet. Radicaal rechts heeft het rijk alleen.

Het was misschien niet helemaal fair om Paul Scheffer in mijn column van vorige week te verwijten dat ook hij dat ‘linkse’ alternatief voor Wilders niet formuleert. Of Scheffer nu wel of geen lid van de PvdA is, er rust op hem geen enkele verplichting om een rechts of links, conservatief of progressief, gematigd of radicaal geluid te laten horen. Paul Scheffer moet vinden wat hij vindt en wat hij vindt, laten we eerlijk zijn, is wat de meerderheid van Nederland vindt. Hij vertegenwoordigt de consensus.

In een consensuscultuur gaat het meer om wie iets zegt en wanneer, dan om wat hij zegt. Als iemand niet ‘deugt’, kan een opvatting daarvoor het bewijs vormen. Als iemand wel ‘deugt’, hoeft diezelfde opvatting geen bewijs van het tegendeel te zijn. Ook Paul Scheffer kan de massieve trekkracht aan het Overton-raam niet keren, en hij maakt er het beste van.

Maar die verschuiving is geen natuurverschijnsel, hij wordt aangevoerd door vocale, charismatische profeten. Schertsfiguren waar gematigde kiezers hun schouders over ophalen, terwijl zij toch hun denken beïnvloeden.

De vraag die je als zelfkritische burger dus voortdurend moet stellen is: beweeg ik uit eigen wil deze kant op, of wordt er aan het elastiek getrokken zodat iedereen beweegt, of je nu links, rechts of in het midden zit?

Als je trein vertrekt, is het soms alsof jij nog stilstaat en het station wegrijdt. In het echte leven kan dat niet, in de politiek wel.