De kantine telt niet, de bibliotheek wel

Universiteiten leveren gegevens over onderzoeksgelden elk op een andere manier aan. De R&D-uitgaven van vakgebieden zijn daardoor niet goed met elkaar te vergelijken.

Deze bijlage publiceerde twee weken geleden een special over trends in de financiering van onderzoek (research & development, r&d), specifiek in het hoger onderwijs. De kern: de afgelopen 20 jaar is er alleen maar meer geld naar dit onderzoek gegaan. Niet alleen in absolute zin. Ook als aandeel van het bruto binnenlands product (bbp) liggen die uitgaven nu hoger (in 2013: 0,67 procent) dan ruim 20 jaar geleden (in 1990: 0,58 procent).

Op pagina W5 stond een grafiek die bij een aantal lezers verwarring opriep. Zij stelden er via e-mail vragen over. Bij nader inzien, en bij verdere analyse van de broncijfers, had deze grafiek beter niet afgedrukt kunnen worden. De achterliggende cijfers blijken er niet nauwkeurig genoeg voor.

Wat is er precies aan de hand? De grafiek zet de r&d-uitgaven per wetenschapper uit over de periode 1999-2011, opgesplitst naar zogenaamd HOOP-gebied (waarvan er acht zijn, onder andere ‘gezondheid’ en ‘natuur’). Voor de sector ‘taal en cultuur’ zou er in 2011 omgerekend 250.000 euro beschikbaar zijn per wetenschapper. De enige sector die nog hoger scoort is ‘landbouw’, met in dat jaar 258.000 euro per wetenschapper.

Hoe kan dit, vroeg Ingrid Robeyns, hoogleraar Ethiek van instituties aan de Universiteit Utrecht, via e-mail. Bèta- en techniekvakken zijn in de regel toch veel duurder dan de geesteswetenschappen? „Het enige wat wij doorgaans gebruiken zijn archieven en boeken”, schreef ze. En verder: een aio kost gemiddeld 50.000 euro, een postdoc 60-70.000 euro en de duurdere hoogleraar ergens tegen de 120.000 euro. Hoe kom je dan op dat totaal van 250.000 euro uit voor de geesteswetenschappen? Waar zit ’m dat in? Overhead?

Allereerst de herkomst van de cijfers. Voor de r&d-uitgaven werden cijfers gebruikt van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Die omvatten het hele hoger onderwijs: universiteiten, umc’s en hbo’s. De bron voor de cijfers over het aantal onderzoekers – preciezer gezegd: onderzoekscapaciteit in fte – was de Vereniging van Universiteiten (VSNU). Maar dat blijken bij navraag alleen cijfers voor de universiteiten. De hbo’s zitten hier bijvoorbeeld niet bij. Ook de gegevens van een aantal theologische universiteiten – onder andere die in Kampen en Apeldoorn – ontbreken.

Het CBS heeft ook cijfers over onderzoekscapaciteit, en die nemen, net als de cijfers over r&d-uitgaven, het héle hoger onderwijs mee. Inclusief hbo’s, umc’s en ook die theologische universiteiten. Vergelijk je die CBS-gegevens met de cijfers van de VSNU dan scoren met name de sectoren ‘gezondheid’ en ‘geesteswetenschappen’ een stuk hoger qua onderzoekscapaciteit. En dat vertaalt zich dan juist voor die sectoren weer in lagere r&d-uitgaven per wetenschapper.

Dat heeft Jan van Steen van het Rathenau Instituut deze week nog eens doorgerekend, voor de periode 2009-2013. „Ga je uit van de CBS-cijfers voor zowel de r&d-uitgaven als de onderzoekscapaciteit”, zegt hij, „dan scoren de geesteswetenschappen opeens als laagste.”

Toch blijft het bedrag per wetenschapper in de sector ‘taal en cultuur’ dan nog steeds hoog: 171.000 euro. De sectoren ‘techniek’ en ‘natuurwetenschappen’ zitten niet eens zo heel veel hoger, met respectievelijk 191.000 en 198.000 euro. Het hoogst blijft overigens het bedrag bij ‘landbouw’: 202.000 euro per wetenschapper. Vanwaar die hoge bedragen?

Volgens Van Steen worden onder r&d-uitgaven allerlei kosten gerekend. Niet alleen personele uitgaven voor onderzoekers en ondersteunend personeel, maar ook materiële uitgaven en investeringen. En een deel van de overhead. „Daarbij moet je breed denken”, zegt hij. Dat kunnen kosten zijn voor bibliotheek, rekencentrum, college van bestuur, de kantine. De kern is hier: universiteiten rapporteren hun uitgaven op basis van wat faculteiten aanleveren. Het CBS haalt uit die uitgaven, via een bewerking, de r&d-component. „Dat gebeurt op basis van allerlei aannames”, zegt Van Steen.

Iets soortgelijks geldt voor de rapportage van de onderzoekscapaciteit in fte. Wetenschappelijk personeel heeft veelal gemengde contracten: een deel onderwijs en een deel onderzoek. Nemen hoger onderwijsinstellingen dit mee als ze de onderzoekscapaciteit in kaart brengen? Of gaan ze wellicht nog een stap verder? Vragen ze het personeel hoeveel ze daadwerkelijk aan onderzoek en onderwijs besteden? Veel onderzoekers zeggen dat ze, door de groeiende studentenaantallen, meer tijd aan onderwijs kwijt zijn dan officieel in hun contract staat. Ook hier zijn het de faculteiten die gegevens aanleveren. En dit proces is niet transparant, zegt Van Steen. „Het lijkt te verschillen tussen de faculteiten.”

In opdracht van het ministerie van OC&W analyseerde onderzoeksbureau EIM in 2007 al eens de cijfers die universiteiten aanleveren, met name over de tijdsbesteding van wetenschappelijk personeel. Wat ze moeten registreren, en hoe, is niet precies vastgelegd, concludeerde EIM. „Hierdoor kan de mate van betrouwbaarheid en nauwkeurigheid van deze gegevens niet worden vastgesteld.”

Ter voorbereiding van de twee weken geleden gepubliceerde special had deze krant begin dit jaar al de dertien universiteiten benaderd met de vraag om gedetailleerde cijfers te leveren over r&d-uitgaven en onderzoekscapaciteit, per faculteit. Dat had wellicht meer inzicht gegeven. Uiteindelijk leverden slechts drie van de dertien de gevraagde cijfers.

Concluderend zegt Jan van Steen van het Rathenau Insituut dat de beschikbare cijfers over r&d-uitgaven en onderzoekscapaciteit een „goed globaal beeld” geven van de ontwikkelingen in de wetenschap. Maar je kunt ze beter niet gebruiken om HOOP-gebieden onderling te vergelijken, vindt hij. „De cijfers zijn gebaseerd op allerlei aannames en bewerkingen die deze vergelijking moeilijk maken.”