Cijfers over onderzoek zijn nog maar het halve verhaal

Gaat het nu goed of slecht met het wetenschappelijk onderzoek? De redactie Wetenschap besteedde daar een complete, interessante bijlage aan (Steeds meer geld, steeds meer problemen, 24 oktober); zes volle pagina’s reportage en analyse over geldstromen in het hoger onderwijs, internationale concurrentie en het oprukken van projectonderzoek.

Teneur: de klacht van onderzoekers dat het ‘allemaal minder wordt’, klopt niet. Integendeel, uit de cijfers trok wetenschapsredacteur Marcel aan de Brugh (die alle stukken schreef) twee algemene conclusies: het totale bedrag aan onderzoeksgeld is de afgelopen twintig jaar toegenomen, het aantal onderzoekers is alleen maar gegroeid. Dat was gebaseerd op cijfers van het CBS en de vereniging van universiteiten VSNU, verstrekt door het Rathenau Instituut.

Op die conclusies kwam kritiek van verschillende onderzoekers, die ze te rooskleurig vonden of de cijfers aanvochten. Concrete kritiek was er op één opzienbarende grafiek in de bijlage, waarin onderzoeksuitgaven waren berekend per wetenschapper. Die wees uit dat de sector Landbouw bovenaan staat (258.000 euro per onderzoeker), op de voet gevolgd door Taal en Cultuur (250.000 euro).

Zó veel voor die laatste? Dat lijkt tamelijk contra-intuïtief voor onderzoekers die vooral werken met boeken, een laptop en een potlood. Ook het ministerie van Onderwijs nam contact op met het Rathenau Instituut: hoe zit dat?

Andere kritiek: de totaalcijfers zijn misleidend, want daarin zijn overheidsgeld, private fondsen en EU-gelden bij elkaar opgeteld. Daarnaast: het aantal onderzoekers mag dan zijn gegroeid, het gaat daarbij vooral om tijdelijke contracten, met weinig uitzicht op een vaste aanstelling. Dus ook die cijfers zijn maar het halve verhaal.

Hebben ze gelijk? Allereerst: die bijlage was niet louter zonneschijn, integendeel. De tweede helft van de titel luidde niet voor niets: „steeds meer problemen”. Boven de analyse stond, ook niet echt juichend: Het wordt niet alleen maar minder. Bij elke reportage had de redactie bovendien een kader gemaakt over ‘de grootste zorg’ op dat gebied (onder andere over het afkalven van fundamenteel onderzoek). Over het oprukken van tijdelijke contracten was een apart verhaal gemaakt (Tijdelijk geld is onzeker). En nog een tegengeluid was in de bijlage zelf opgenomen: Piet Borst bestreed de conclusies al (op basis van twee conceptartikelen die hij had gelezen) in zijn vaste column (Het valt echt niet mee).

Aan de Brugh houdt staande dat zijn algemene conclusies worden ondersteund door de beschikbare CBS-cijfers. Op een kritische reactie van de KNAW reageerde hij een week later: het klopt dat de overheid bezuinigt op de financiering van onderzoek, dat stond er ook in. Maar dat zou vooral onderzoeksinstituten treffen, terwijl het hoger onderwijs (waar de bijlage over gaat) erop vooruitgaat.

Onderzoeksgeld verschuift al jaren van de eerste geldstroom (overheid) naar tweede en derde (bedrijven, EU). Dat leidt in de wetenschap tot veel kritiek en frustratie, zoals in de bijlage te lezen was: steeds meer onderzoeksgeld moet in competitie om een gering aantal grote beurzen worden binnengehaald, fundamenteel onderzoek krimpt in.

Pijnlijk genoeg is juist de kritiek op die opzienbarende grafiek terecht, erkent de redactie: die geeft een onjuist beeld. Dat komt omdat twee ongelijksoortige bronnen zijn gebruikt: voor het onderzoeksgeld CBS-cijfers, voor het aantal onderzoekers cijfers van de VSNU. Maar terwijl de CBS-cijfers op het hele hoger onderwijs slaan (universiteiten, hogescholen en academisch medische centra), gaan die van de VSNU alleen over de universiteiten. Als je de cijfers corrigeert, kukelen Taal en Cultuur omlaag in de rangorde. Ze scoren nu juist lager dan de andere. Dat lijkt een stuk realistischer.

Ook als de juiste cijfers waren gehanteerd, had die grafiek beter achterwege kunnen blijven, vindt de redactie nu. Want ook daarin zit nog veel „ruis”. Onduidelijk is hoeveel wordt besteed aan, bijvoorbeeld, kosten van materiaal en bureaucratie. Dat kan ook nog verschillen per faculteit, en universiteit.

Dat gebrek aan gedetailleerde cijfers is een breder probleem. Al aan het begin van de special lezen we: „De cijfers zijn soms goed te interpreteren, maar vaak ook lastig. Deskundigen zitten soms op één lijn, maar spreken elkaar ook tegen. En misschien nog wel het treurigst: de meeste universiteiten kunnen of willen geen gedetailleerde cijfers geven.” Van dertien universiteiten kwamen er drie (!) met gedetailleerde cijfers.

Kortom, achter de trends die de redactie signaleert, gaat nog een wereld schuil van interpretaties, rekenmethodes en uiteenlopende visies op het wetenschapsbedrijf. Daarbij spelen, soms ideologisch beladen discussies over het belang van vrij onderzoek, de verdeling van EU-beurzen en de positie van tijdelijke contractonderzoekers. Een belangrijk deel daarvan komt aan bod in de bijlage; wie die helemaal leest, krijgt een genuanceerd beeld.

Alleen, dan moet je wel alles lezen, en daar hielp de presentatie niet helemaal bij. De bijlage was omvangrijk en tamelijk hermetisch. In het nieuwsbericht voor in de krant lag het accent op ‘meer geld’ (en dat lijkt altijd goed nieuws) en niet op ‘meer problemen’.

Ook vraag ik me af waarom er meteen reacties van landelijke politici in moesten staan, met als eerste die van Tweede Kamerlid Pieter Duisenberg (VVD), die zegt dat „er niet per se meer geld moet komen voor onderzoek”.

Bij groot eigen nieuws doet de krant dat ook weleens. Maar het punt is: het kan de indruk wekken van politiek effectbejag. Bovendien, de betrokken Kamerleden hadden die bijlage nog helemaal niet kunnen lezen, ze baseerden zich op de grafieken en een eerste indruk.

Ik zou zeggen, laat de geachte afgevaardigden voortaan eerst maar gewoon alles in de krant lezen, dan kun je hun altijd nog om een reactie vragen – en dan ook over het gebrek aan transparantie van de universiteiten.