Column

Bericht uit Den Haag: burger, u bent nog lang niet boos genoeg

Op wie moet je letten om Den Haag te begrijpen? Deze week: bestelcrisis in beeld: Hermans en de ‘bijbanen’; Dijsselbloem en de bankenlobby. Oftewel: de burger verlangt meer zeggenschap – waarom doet niemand iets?

Illustratie Ruben L. Oppenheimer

Blijkt zo’n bank het ministerie van Financiën dus letterlijk de wet voor te schrijven. Een gewone burger met een bijzondere wens komt zelden verder dan zo’n 0800-nummer: altijd wachtenden voor u. Maar als ING via nieuwe regeltjes 350 miljoen wil binnenhengelen, zetten ze het gewoon zelf op papier: de overheid neemt het wel over.

Zo ging dat vorig jaar, onthulde deze krant woensdag, en de vraag was wat we hier zagen: te krachtige lobbyisten of te slappe politici?

Ik vermoed dat het is zoals met die ‘bijbanen’ van senatoren: oude gewoonte, amper bekend, die uit de hand is gelopen. De traditie van het polderen heeft grote bedrijven altijd een plaats aan de tafel in Den Haag gegeven. De banden tussen de banken en Financiën zijn altijd voortreffelijk geweest. Het is alleen een inside game gebleven: de burger is er nooit over geïnformeerd.

Er komt bij dat de lobbywereld is getransformeerd van verlegen ventje tot bijdehante bink. Lichtbruine puntschoenen en allemaal zo’n dubbele naam op de gevel. Twintig jaar terug wilden Kamerleden liever niet met lobbyisten gezien worden. Nu vragen Kamerleden onbekommerd of lobbyisten even ‘input’ voor hun aanstaande motie willen leveren.

Ook dit laatste realiseren burgers zich amper, en als de werkelijkheid naar buiten komt, groeit het wantrouwen zienderogen. Het illustreert de bestelcrisis waarin Den Haag verkeert.

Het SCP constateerde nog vorige maand, in alweer zo’n onvolprezen rapport van onderzoekers Paul Dekker en Josje den Ridder (Meer democratie, minder politiek), dat politici volgens Nederlanders in hun eigen wereld leven, met hun eigen belangen, waardoor „gewone burgers te weinig te zeggen hebben”. De inspraakavonden over vluchtelingenopvang moesten toen nog uit de hand lopen.

Dit is dus het ware dilemma: waar de burger meer zeggenschap verwacht, conserveert Den Haag een bestel dat die zeggenschap uitbesteedt aan bedrijven, lobbyisten en belangengroepen die, via mechanismen als polderen en de Eerste Kamer, de binnenwereld van de politiek bespelen. En terwijl het onbehagen hierover groeit, staat vreemd genoeg niemand op die zegt: laten we iets doen.

Niemand? In de Volkskrant las ik deze week, in reactie op de NRC-scoop, over het ervaren PvdA-Kamerlid Lea Bouwmeester dat „al enige tijd” een wet in voorbereiding heeft „die het lobbycircuit minder geheimzinnig moet maken”.

Zij wil dat bekend wordt welke bedrijven, organisaties en personen zich met nieuwe wetgeving bemoeien. Openbaar polderen, openbaar lobbyen – ook voor senatoren met ‘bijbanen’.

Vreemd genoeg, merkte ik, zat het betreffende initiatiefvoorstel niet in de parlementaire monitor, waarin alle Kamerstukken worden opgeslagen.

Bouwmeester had met een collega in mei alleen een plan op de PvdA-website geplaatst. Interessant – maar daar krijg je geen wetgeving mee. „We willen om te beginnen dat mensen met ons méédenken”, zei Bouwmeester donderdag, toen ik haar belde.

Nu zag ik ook dat Bouwmeesters behoefte aan meedenkers in het verleden minder groot was. Zo haalde ze in 2009 de voorpagina van NRC Handelsblad met onderzoek om „de richtlijnen voor lobbyisten in de Tweede Kamer aan te scherpen”. Dit nadat protest tegen het rookverbod in kleine cafés bleek te zijn ondersteund door tabaksfabrikanten. Helaas had haar idee tot niets geleid, vertelde ze: de Kamer bleek geen richtlijnen voor lobbyisten te hebben. „Dan kun je ze ook niet aanscherpen”, zei ze, zonder ironie.

In 2012 was ze er niet minder assertief om. De Rekenkamer rapporteerde over contacten tussen een tabakslobbyist (CDA-senator Elco Brinkman) en toenmalig staatssecretaris Jan Kees de Jager (Financiën, ook CDA) inzake fiscale EU-regels voor de tabaksindustrie. Opnieuw publicitaire ophef.

Nu moest er écht ingegrepen worden, vond Bouwmeester. Ze verscheen 19 juni 2012 in Nieuwsuur, stelde dat de invloed van lobbyisten in Den Haag „héél erg groot” is, en dat het „echt kwalijk” was dat „wij als Kamerleden buitenspel staan”. Ze zou nog „in de zomer” haar initiatiefwet indienen om lobbyen transparant te maken. Dan kon „het nieuwe kabinet” (in september 2012 waren er verkiezingen) meteen aan de slag, want er moest „nu echt actie” komen, zei ze.

Goed – en dit initiatief is dus nu, drie jaar later, nog steeds niet bij de Kamer ingediend. Ik zei: wat is er gebeurd? Zo’n voorstel schrijven is „ingewikkelder” dan ze had gedacht, zei Lea Bouwmeester. Kamerleden hebben te weinig ondersteuning. „Anders was ik allang klaar geweest.”

Het kan. Maar wie zes jaar media haalt met kritiek op de beslotenheid van het lobbycircuit, en media al drie jaar een initiatiefwetsvoorstel belooft zonder het in te dienen, vertoont het politieke gedrag waarover kiezers in dat recente SCP-rapport zo klagen: praten zonder te presteren. De inside game van de lobbyisten bestrijden met de outside game van het Kamerlid: doen alsof.

Als iemand de inside game van de lobbyist beheerste, was het trouwens VVD-routinier Loek Hermans, tot deze week fractievoorzitter in de Eerste Kamer. De senator die aftrad nadat de Ondernemingskamer dinsdag oordeelde dat hij wanbeleid voerde als toezichthouder bij het gefailleerde thuiszorgbedrijf Meavita.

Hoewel, viel hij daarover? Moeilijk, moeilijk. Zo hoorde je frappant genoeg de hele week vrijwel niemand over de directie van Meavita. Blijkbaar ging het niet over Meavita. Het ging over Hermans en zijn ‘bijbanen’, dat wil zeggen: over zijn grote aantal ‘bijbanen’. En over de vraag of je, na zo’n oordeel van de Ondernemingskamer, in een andere functie, die van senator, kunt aanblijven. Nogal onhelder allemaal. Lineair doorgeredeneerd is iedere ‘bijbaan’ van alle Eerste Kamerleden voortaan onderwerp van politieke beoordeling: gelooft u het?

Je had meer spraakverwarring. Het Eerste Kamerlidmaatschap is voor de meeste leden een bijbaan als zodanig: één dag werk per week. Het idee achter het hele instituut is dat parlementariërs met maatschappelijke kennis en ervaring het werk van beroepspolitici toetsen. Wie daarin niet gelooft, en ‘bijbanen’ per definitie verdacht vindt, gelooft niet in het instituut. Dat kan natuurlijk – maar dan moet de discussie niet over de bijbanen gaan, maar over het instituut.

Het interessantste was dat de grootste partij van het land helemaal geen zin had in een principiële discussie over die ‘bijbanen’. Binnenskamers hoorde je van VVD’ers dat Hermans door de publieke opinie altijd voor ‘plucheplakker’ zou zijn uitgemaakt wanneer hij was aangebleven. En dus kondigde hij zijn vertrek al aan in de eerste conference call die de VVD-top over de zaak hield.

Het liet zien hoe de VVD met het onbehagen van de burger omgaat: hard weglopen. Terwijl je óók zou kunnen proberen het onbehagen te bespreken – of bestrijden. Bijvoorbeeld door echt zeggenschap over te dragen – van belanghebbenden en lobbyisten naar burgers. Wilders riep vrijdag in de Volkskrant op tot meer directe democratie via referenda, origineel voor een politicus zonder democratie in de eigen partij, maar wat je daar ook van denkt: hij verwoordt het onbehagen wel.

De wonderlijkste afwezige in dit debat blijft PvdA’er Ronald Plasterk, minister van Binnenlandse Zaken. Het enige wat we op dit gebied tot nu toe van hem zagen was de zogenoemde doe-democratie: extra zeggenschap voor actieve burgers op lokaal niveau, zonder deelname aan politieke debatten te vragen.

Een problematisch concept, oordeelde genoemde SCP-onderzoeker Paul Dekker vorig jaar in een lezing bij ProDemos: het versterkt het antipolitieke sentiment (alsof democratie actieve burgers dwars zou zitten) en de democratische rechten van niet-actieve burgers, die vaak de tijd niet hebben, worden erdoor beperkt.

En zo laten traditionele politici en partijen het afweten. Onbehagen over ‘bijbanen’ van senatoren en de lobbykracht van banken onweersproken laten of het – nog erger – alleen optisch bestrijden. En niets doen aan het verlangen naar meer zeggenschap.

De burger is al vrij boos, zou je na de laatste maanden kunnen weten. Blijkbaar moet hij nog bozer worden.