Angstaanjagend maar beminnelijk

Uitgever Geert van Oorschot was een fenomeen. Boekhandelaren sidderden als ze hem zagen voorrijden. Uit de biografie van Arjen Fortuin komt hij naar voren als een man om van te houden.

Uitgever Geert van Oorschot (links) en sterauteurGerard Reve bij de uitreiking van de PC Hooftprijs aan Reve in 1968 op het Muiderslot. Foto Eddy Posthuma de Boer

‘Toen mijn eigen vader stierf, / stond de zon reeds hoog aan de hemel. / Toen werd Geert mijn pleegvader. / Wat kon die man vertellen!’ Deze aanhef van een door Gerard Reve geschreven lofdicht is typerend voor de relatie die Geert van Oorschot met zijn auteurs onderhield. Net als veel andere schrijvers beschouwde Reve zijn uitgever als een vader. Maar op een gegeven moment worden kinderen volwassen en gaan ze op eigen benen staan. Dit stemde Van Oorschot bitter. Hij geloofde in bondgenootschappen en beschouwde het als verraad als een van zijn ‘zonen’ zich van hem afkeerde.

Geert van Oorschot (1909-1987), de joviale Amsterdamse uitgever met de sigaar, was een fenomeen. In het naoorlogse literaire leven in Nederland was hij even beroemd als menig auteur uit zijn fonds. Deze self-made man richtte in 1945 in zijn eentje de uitgeverij op die zou uitgroeien tot een van de meest vooraanstaande van Nederland. Hij was degene die twee van de latere Grote Drie ontdekte, Hermans en Reve, en het scheelde niet veel of hij had ook Mulisch binnengehaald. Dankzij de tv werd hij een Bekende Nederlander. Iedereen wist wie hij was: ‘Geert van Oorschot, uitgever’.

Over hem deden tal van anekdoten de ronde. Van zijn legendarische zuinigheid konden veel auteurs getuigen. Van Oorschot kon drinken als een tempelier. Waar hij kwam, was de jeneverkruik nooit ver weg.

Hij was vriendelijk en zachtaardig, maar had ook een wraakzuchtige en destructieve kant. Sommige schrijvers waren beducht voor hem. Jeroen Brouwers was in 1968 ‘uitgesproken bang’ toen hij Van Oorschot ontmoette. A.F.Th. van der Heijden durfde de uitgever in 1976 zelfs niet te benaderen. Boekhandelaren sidderden als ze hem zagen voorrijden, aan het einde van de dag zaten ze wéér met een stapel onverkoopbare boeken uit de Russische bibliotheek opgescheept. Bezoekers van de uitgeverij kregen vaak een boek bij het weggaan, waarvoor ze een paar dagen later de rekening gepresenteerd kregen.

Hij kende iedereen

Het leven van Geert van Oorschot is nu uitvoerig beschreven in de lezenswaardige biografie waarop Arjen Fortuin afgelopen woensdag promoveerde. Zijn levensverhaal leest als een literatuurgeschiedenis van de tweede helft van de twintigste eeuw. Hij kende iedereen en was present bij het Ezelsproces van zijn sterauteur Reve tot en met de onthulling van het Multatuli-beeld in 1986.

Van Oorschot werd geboren in 1909 te Vlissingen in een arm, socialistisch gezin. Naar eigen zeggen werden in zijn ouderlijk huis, waar een voorliefde voor literatuur bestond, ‘de eerste stekken’ van zijn uitgeverij gezet. Hij volgde de lagere school en de hbs, en in zijn vrije tijd was de man die later zo’n groter drinker zou worden actief lid van de Jeugdbond voor Onthouding. In 1926 verliet hij Zeeland per fiets. Twee jaar later werd hij als dienstweigeraar tot een gevangenisstraf veroordeeld. Behalve de literatuur lokte ook de politiek hem. Hij sloot zich aan bij het schrijverscollectief Links Richten, werd lid van de SDAP en later van de Onafhankelijke Socialistische Partij. Zijn inspirator was Jacques de Kadt. In 1932 trouwde hij met Tine Smit, met wie hij twee kinderen kreeg. De relatie duurde niet lang, omdat de womanizer Van Oorschot overspel pleegde met Hillie Munneke. Zij werd zijn nieuwe levensgezel (en zakenpartner) en schonk hem twee zonen.

Inmiddels had Van Oorschot ontdekt dat zijn talent niet het schrijven, maar het verkopen van boeken betrof. Vanaf 1938 werkte hij bij Querido. Toen in 1942 alle Joodse medewerkers hun werk moesten neerleggen, trad hij aan als directeur. In 1944 werd de firma geliquideerd. Op de dag dat de magazijnen werden leeggehaald, stelde hij de Verwalter voor om een oogje dicht te knijpen, wat zeker niet zonder risico was. De voorraad werd niet vernietigd, maar kon elders opgeslagen worden, zodat Querido aan het einde van de oorlog een doorstart kon maken. In de hongerwinter bewees Van Oorschot zijn handigheid: hij ging bij boeren langs, vroeg ieder twee aardappelen en kwam met dertig kilo thuis.

Opmerkelijke werkwijze

Na de oorlog begon hij voor zichzelf. In de decennia die volgden bouwde hij als uitgever een indrukwekkend fonds op. Daarbij volgde hij zijn eigen smaak en wist hij grote namen aan zich te binden, hoewel hij ook wel eens mistastte. Daarbij ging hij soms opmerkelijk te werk. Nadat hij het manuscript van J.J. Voskuils Bij nader inzien (1963) had gelezen, belde hij de schrijver om half twee ’s nachts uit zijn bed, en schreeuwde hem toe dat hij zijn boek zou uitgeven, ook al had zijn accountant hem dat afgeraden. Van Oorschots liefde voor literatuur, zijn werklust, en oog voor commercie waren onnavolgbaar. Hij stak veel tijd in zijn tijdschriften, zoals Libertinage en Tirade en in reuzenprojecten als de volledige werken van Ter Braak, Couperus, Multatuli en Belle van Zuylen, en de Russische bibliotheek. Als geen ander wist hij mensen te enthousiasmeren en subsidies los te peuteren, maar door zijn bemoeizucht waren er ook veel conflicten. De ruzies met Hermans en Reve zijn het bekendst geworden. De eerste spande met succes een rechtszaak tegen hem aan en schreef een satirisch toneelstuk over hem: Uitgever Oorwurm.

Hoewel Van Oorschot als uitgever veel succes had, bleef het schrijverschap lonken. In 1975 publiceerde hij zijn roman Twee vorstinnen en een vorst, over zijn kleurrijke moeder, een jaar later gevolgd door Mijn tante Coleta, over zijn jeugdliefde voor een tante. Beide werden bestsellers. Die erkenning was weldadig, maar verlamde hem ook.

In zijn privéleven zat het hem niet mee. Het grootste drama was de dood van zoon Guido, die in 1963 zelfmoord pleegde. Van Oorschot kwam in een depressie terecht en greep naar de fles, wat zijn huwelijk niet ten goede kwam. Het is niet ondenkbaar dat zijn vaderlijke houding ten aanzien van mannelijke auteurs samenhing met Guido’s dood. Ook na Hillies overlijden in 1979 was hij radeloos.

In zijn laatste levensjaren probeerde hij afstand te nemen van zijn bedrijf. Dat viel hem niet mee. De zelfverzekerde uitgever was een kwetsbare oude man geworden, bij wie kanker geconstateerd werd. Geert van Oorschot overleed op 18 december 1987, maar niet dan nadat hij al zijn boeken (behalve zijn poëziecollectie) had weggegeven en al zijn vrienden een geldbedrag had gestuurd.

Dit levensverhaal is door Arjen Fortuin vlot en met oog voor detail en voor smeuïge anekdoten opgeschreven. In Geert van Oorschot, uitgever staat vooral de uitgever centraal. Dat heeft tot gevolg dat in het boek uitvoerig stil wordt gestaan bij boekhistorische feiten over projecten, plannen en (redactie)strubbelingen. Fortuin heeft zijn biografie opgezet als een documentaire. Een duidelijke visie op de figuur ontbreekt. De lezer moet zich zelf een beeld vormen op basis van het aangereikte materiaal. Alleen in de epiloog probeert Fortuin lijnen te trekken. Van Oorschot als fenomeen,krijgt evenmin veel aandacht.

Dat neemt niet weg dat ik deze biografie met veel plezier heb gelezen, en dat is zonder meer de verdienste van de biograaf. Fortuin zet zijn subject neer als een man die worstelde met zijn dubbelrol als zakenman en kunstenaar, en die hunkerde naar vriendschap, liefde en erkenning. Ondanks zijn slechte eigenschappen, zijn veeleisendheid, bemoeizucht en gesjacher, komt Geert van Oorschot in het boek naar voren als een gevoelige, beminnelijke, indrukwekkende figuur: als een man om van te houden.