Als je een lijk schopt is dat vernieling, geen mishandeling

De schrijver Richard Klinkhamer werd een kwart eeuw geleden verdacht van het doden van zijn verdwenen vrouw Hannelore, maar de politie kreeg het bewijs niet rond. De nieuwe bewoners van zijn oude huis in Groningen ontdekten in 2000, bij het omspitten van de tuin, het begraven lichaam van Hannelore. Klinkhamer bekende dat hij zijn vrouw met een koevoet had gedood tijdens een ruzie, werd tot zeven jaar celstraf veroordeeld voor doodslag en schreef na zijn vrijlating verder aan zijn inktzwarte oeuvre.

Het geval-Klinkhamer duikt op in het net verschenen boek Over lijken, maar op een rare manier. Een beknopt mediabericht over het opgraven van het lichaam staat als een kadertje in een nogal technisch betoog over de definitie van een lijk, zonder dat duidelijk is wat het verband is tussen bericht en betoog. En zonder dat de cause célèbre in herinnering wordt gebracht.

Dat is typerend voor het boek van de forensische artsen Wilma Duijst en Tatjana Naujocks over de ‘juridisch-medische’ omgang met dode lichamen. Zakelijke teksten over zaken als lijkbezorging, orgaandonaties, autopsie en euthanasie worden afgewisseld met tientallen berichten (ook uit de Linda), die de besproken kwesties een zweem van actualiteit moeten geven. Maar vrijwel nergens slaan de auteurs een echte brug tussen wetboek en samenleving. Zo blijft het meisje van Nulde in dit boek een verminkt lijk op een strand en wordt ze niet de kleuter wier dood een keerpunt was bij de zorg voor en bescherming van kinderen in Nederland.

Dit hiaat is jammer, want Over lijken is verder een heel informatief boek over een belangrijk onderwerp waar we weinig van (willen) weten. Jaarlijks overlijden in Nederland 140.000 personen, maar dode lichamen worden zo veel mogelijk uit het zicht gehouden. Als lijken op een en of andere manier wel in beeld komen, zijn de persoonlijke pijn en het maatschappelijk debat meteen heftig. Denk aan de ramp met de MH17 en de worsteling om de vaak naamloze stoffelijke resten waardig naar Nederland over te brengen en waarbij – zo leert het boek dan wel – werd afgeweken van de regel die voorschrijft dat de naam van de overledene op de kist moet staan.

Het boek staat bol van dit soort details die onlosmakelijk zijn verbonden met vele en vaak zeer ingewikkelde wetten, verdragen en richtlijnen. De uitleg is overal kristalhelder en wordt nog eens aangevuld met bijlagen als lijkschouwingformulieren en het onvertaalde vonnis in de Duitse ‘kannibaalzaak’. Alles bij elkaar is Over lijken een bom van kennis en wetenswaardigheden.

Want wat is bijvoorbeeld een lijk? Een dood lichaam dat ouder is dan 24 weken en jonger dan honderd jaar, zo blijkt. Was de vrucht bij overlijden jonger dan 24 weken, dan is sprake van een foetus. Ligt een lichaam langer dan een eeuw begraven, dan spreek je van een archeologische vondst.

Een lijk is ook geen persoon (meer), maar een ‘goed’. Een man die een lijk schopte werd dan ook veroordeeld voor vernieling, niet voor mishandeling. Een forensisch onderzoeker kan een lichaam rectaal of vaginaal toucheren zonder de integriteit te schenden. Urine afnemen met een katheter mag zonder meer, maar voor het doorboren van de blaas is wel toestemming nodig.

Bij dat laatste roepen de auteur ineens op om allerlei bevoegdheden uit te breiden – zonder uit te leggen welk probleem hiermee opgelost wordt. De auteurs hebben vaker van dit soort oprispingen, zoals het pleidooi om (jonge) doden vaker te onderzoeken op (alcohol)vergiftiging. Hadden de auteurs dit soort pleidooien maar wat meer uitgewerkt, want je voelt aan alles dat ze dan wel de brug hadden geslagen naar tal van maatschappelijke debatten.