Was Cicero wél of geen roddelkont?

In het laatste deel van Robert Harris’ trilogie over advocaat, politicus en filosoof Marcus Tullius Cicero moordt Julius Caesar half Europa uit, wordt de senaat in Rome in de as gelegd, stort de Romeinse Republiek na vijfhonderd jaar in elkaar en wordt Cicero zelf slordig onthoofd en onthand, waarna die lichaamsdelen aan het spreekgestoelte op het Forum Romanum worden genageld.

Het boek Dictator is een draaikolk van persoonlijke en openbare gebeurtenissen tijdens een periode die, aldus Harris, tot aan ‘de uitbarsting tussen 1933 en 1945 misschien wel de verwarrendste in de geschiedenis van de mensheid is geweest’. Het is zijn verdienste dat, ondanks de vele feiten en namen, de laatste vijftien tumultueuze jaren van Cicero’s leven de lezer slechts sporadisch verwarren.

Net als in de eerste delen Imperium (Cicero klimt van buitenstaander op tot consul) en Lustrum (Cicero weerhoudt Catilina van twee staatsgrepen) behoedt Harris’ beschrijving van Cicero’s privéleven het boek ervoor te verworden tot louter een interessante historische opsomming. Het is hachelijk een trilogie te schrijven over de persoonlijkheid van een historische figuur over wie veel bekend, maar ook veel onbekend is. Cicero heeft een schat aan informatie over zijn denkbeelden en tijd overgeleverd. Toch moest Harris veel verzinnen, zij het in de geest van alles wat hij over en van Cicero las. Waar de grens ligt, is niet duidelijk. Was Cicero echt een roddelkont, die met krukjes smeet, niet tegen bloed kon en geneigd was tot tranen toe geroerd te worden? Was hij behalve een scherpzinnig redenaar ook ‘ijdel, dubbelhartig, hebzuchtig, naïef’ en een groot liefhebber van vastgoed? Het kost weinig suspension of disbelief om je door Harris te laten meevoeren – door Cicero’s leven en door de straten van Rome.

Meer nog dan Cicero’s slimme redevoeringen – de Philippicae Orationes tegen Marcus Antonius, die Cicero de kop kostten, komen uitgebreid aan bod – zijn het de aangehaalde gedachten uit zijn filosofische werken die doen verlangen naar herlezing van Cicero’s teksten, over bijvoorbeeld vriendschap. Harris’ ontroerende beschrijving van Cicero’s radeloze verdriet na de dood van dochter Tullia maakt een beetje goed dat het werk dat hij daarover schreef – Consolatio, over hoe de filosofie de treurende mens troost – juist verloren ging. ‘Alles wat van ons beklijven zal, is wat we opschrijven’, laat Harris de slaaf van Cicero opschrijven. Cicero’s woorden liggen, intelligent gepopulariseerd, na 2.000 jaar in alle boekhandels.