Waar blijft de veldslag?

In 1812 gingen 15.000 Nederlandse militairen met Napoleon mee naar Rusland. Velen stierven roemloos. Historicus Bart Funnekotter gaf zo’n dertig man een stem.

Hollandse infanterie bij de bruggen over de Berezina, 1812 Schilderij van J. Hoynck van Papendrecht, 1911

Het begin van Napoleons veldtocht naar Moskou druipt van de klassieke hoogmoed: we gaan dat varkentje even wassen, de Russen verdienen straf, ze vragen erom. Het zou het begin van een Laurel & Hardy-film kunnen zijn. En dan weet je hoe het afloopt: in pijn en chaos.

In het voorjaar van 1812 maakten een half miljoen militairen en ondersteunend personeel zich klaar om naar Rusland te trekken. Ze namen afscheid van hun dierbaren ‘met gevoelens van twijfelachtig weerzien’, aldus de 20-jarige cavalerist Piet Geesteranus. Hij was een van de ongeveer 15.000 Nederlanders die mee marcheerden. Zijn vaderland zag hij niet meer terug: hij stierf roemloos in krijgsgevangenschap.

Dankzij Bart Funnekotters De hel van 1812 heeft Geesteranus na twee eeuwen zijn stem terug, net als zo’n dertig andere Nederlandse Ruslandgangers, van wie brieven, dagboeken en memoires in archieven onaangeroerd bleven. Funnekotter dook ze op toen hij onderzoek deed naar ene Willem Funnekotter, die ook aan de tocht deelnam en pas na jaren uit Siberië terugkeerde. Bleef deze Willem schimmig, de getuigenissen van die dertig anderen bleken ongekend levendig en gedetailleerd. De hel van 1812 levert een hartverscheurend beeld op van een steeds verder ontsporende onderneming. Je weet hoe het afloopt – toch kun je dit boek niet wegleggen.

Wanorde

De oorlogsmachine zette zich, aangevoerd door Napoleon, op 9 mei 1812 in Parijs in beweging, in de stellige verwachting voor de winter terug te zijn. Napoleon zong onderweg geregeld de Marseillaise. De Nederlandse grenadier Charles de Quaij was er getuige van en hoorde dat de keizer zelden zo’n goed humeur had.

Nederlandse militairen hadden niet zo’n goede naam. Het waren vaak oergezonde, maar ook kleinzerige kerels. Toch nam Napoleon ze graag op in zijn Keizerlijke Garde en in zijn lijfwacht. Het leverde Funnekotter mooie snapshots op van een politiek genie dat langzaam beseft dat hij een fatale taxatiefout heeft gemaakt.

Het leger naderde Rusland in het late voorjaar. Willem d’Auzon de Boisminart, een luitenant uit Maastricht, kreeg in Polen van een baron te horen: ‘Ik ken Rusland en de Russen; wat gebeurt er als deze u tot ver in hun land lokken en de winter u daar overvalt?’ Onheilspellende woorden die Napoleon niet bereikten.

De Grande Armée marcheerde op 24 juni Rusland binnen. Napoleon hoopte het Russische leger in een grote veldslag in één keer te vernietigen. Maar de Russen trokken zich steeds verder terug, zonder slag te leveren, precies zoals de baron had voorspeld. Maandenlang marcheerde een tientallen kilometers lange legertros door Rusland in een macaber verlangen naar een veldslag. De aanvoerlijnen werden steeds langer, het voedsel werd schaars. Het leger werd geteisterd door slecht weer, ook in de zomer. Tienduizenden paarden stierven en in nog geen maand waren de Franse gelederen uitgedund met 100.000 man, vaak door ziekte en desertie.

Er werden te voet enorme afstanden afgelegd, soms wel veertig kilometer op één dag, door gebieden waar nauwelijks een sterveling woonde. Vaak ging de opmars ook ’s nachts door, in een poging de Russen tot een slag te dwingen. Kapitein Abraham Calkoen schreef aan zijn vader: ‘We snappen er niks van. De Russen moeten zich in verschrikkelijke wanorde terugtrekken…’ Het was een manier van zichzelf moed inpraten.

Dat de Russen wisten wat ze deden, werd duidelijk in de buurt van Smolensk. Steeds vaker kwam het tot schermutselingen. Kapitein Aart Kool, lid van de genie, stond er voor het eerst van zijn leven op een slagveld. Hij zag een Russische soldaat met een grote beenwond: ‘Ik steeg van mijn paard en gaf hem uit mijn fles een weinig korenbrandewijn te drinken, wat hem goed scheen te doen. Hij maakte de pantomime een mes te willen hebben om het verbrijzelde been geheel af te snijden.’ Kool probeerde hulp te zoeken, maar de Rus overleed binnen enkele uren.

Sabotage

Zo werden de Nederlanders, zoals het hele Napoleontische leger, snel in het leven gehard. En het ergste moest nog komen. Het behoort allemaal tot de legende van Napoleon: hoe hij zich liet verleiden Moskou in te nemen, hoe de stad kort daarop door sabotage in brand stond, en daarna de lange terugtocht, bij soms dertig graden vorst, in een sadistisch kat-en-muisspel met de Kozakken, die de vernedering compleet maken. Met minder dan één tiende van zijn oorspronkelijke strijdmacht wist Napoleon aan dit inferno te ontsnappen.

Al deze episoden vol schrijnende ellende, decadentie en individuele verloedering, werden door Nederlandse ogen met verrassend veel gevoel voor detail waargenomen. De hel van 1812 bevat daardoor materiaal voor minstens drie filmscripts. Generaal Anthony van Dedem is een geknipte hoofdfiguur. Een vleug Napoleon, een vleug baron van Münchhausen. Mooi is het verhaal dat hij tijdens de terugtocht ontdekt dat zijn Duitse knecht een 14-jarig meisje is, kunstig vermomd in mannenkleren. Van Dedem koopt voor haar een paard, zodat ze de terugtocht verder niet te voet hoeft af te leggen. Hij zorgt goed voor haar, tot hij haar in de chaos op de noodbrug over de Berezina uit het oog verliest. Voor altijd. Hollywood zou er wel raad mee weten.