Column

Vaderdagen

Door een speling van het lot zat ons kind met nul opa’s, twee dove oma’s en een vader die alleen maar hoorde wat hij wilde horen. De dove oma’s vonden het kind ‘een rustig kind’, zeiden ze, nadat ze er – los van elkaar – een dagje op hadden gepast.

„Och, ze is zo rustig”, zei mijn moeder.

„Lief en stil”, vatte de andere oma gisteren haar oppasdag samen.

Achteraf is het natuurlijk makkelijk praten, maar ik vond er gisteren een prima reden in om alle geplande werkzaamheden uit te stellen. Murw gebeukt door de dagelijkse realiteit van het nieuwe leven wilde ik het goede nieuws heel graag geloven. Hop, daar ging de fles rode wijn open. Deze column kwam de volgende dag wel, die ging ik schrijven op de enige dag in de week dat ik er alleen voor stond.

Dan de realiteit, de dag van de spreekwoordelijke gebakken peren. De vriendin had de woning nog niet verlaten of het begon. Dit was geen huilen meer, dit was een niet te negeren loeien. Daar lag ze, de beentjes gestrekt, het hoofdje warm en rood aangelopen. Dorst, was mijn diagnose, maar na het flesje ging het gewoon weer door.

Er zat niets anders op dan de nederlaag toe te geven en de vriendin er telefonisch mee lastig te vallen.

Ik was Arsenal.

Zij was Bayern München.

De verdediging dichttimmeren was misschien maar het beste, toegeven dat ik niet kon plannen was nog beter.

Ze hoopte voor mij dat het kind ging poepen, want dat had het al een paar dagen niet gedaan.

‘Poep dan, lief kind, dan kan papa ook weer door’, dacht ik, toen ik een volgeplaste luier verwisselde. Best bijzonder van het kind om juist dat moment uit te kiezen om een week poep over me heen te spuiten. Dat kon je positief en negatief uitleggen.

„Ze luistert in ieder geval goed”, concludeerde mijn moeder, die belde om te zeggen dat we toch maar boften met zo’n rustig kind.

„Ik hoor haar weer niet.”

Ik nam me toen heel veel dingen voor. Bijvoorbeeld dat ze op de volgende verjaardag tegenover die andere dove oma moest zitten zodat ze het heerlijk met elkaar eens konden zijn.

„Wat is het toch een lief, stil kind!”

„Wat zeg je?”