Column

Te beperkt, dat denken over onze democratie

Wie in Washington de volle glorie ziet van het wetgevend Congres, met zijn majestueuze koepel in de as van de stad, en het in vergelijking kleine en terzijde gelegen Witte Huis voor de president – die voelt hoe de verhoudingen volgens de stichters van de Amerikaanse republiek rond 1800 hoorden te liggen. De wetgevers de baas, de uitvoerende macht secundair. Sindsdien is de zaak gekanteld, en niet alleen in de VS. De uitvoerende macht domineert overal ter wereld organisatie en beleving van de politiek. Regeringen staan centraal, niet parlementen. Afgelopen zondag in Ankara: Turkse parlementsverkiezingen die draaiden om de macht voor president Erdogan. Deze week in Den Haag: veelbelovend volksvertegenwoordiger wordt na twaalf jaar Kamerlidschap staatssecretaris; een rotbaan, maar wel promotie, want nu heeft hij de hand aan de knoppen. Toch is de dominantie van de uitvoerende macht in hedendaagse democratieën zwak doordacht. Zo wordt de bijbehorende verpersoonlijking van de politiek – de strijd om de poppetjes – vaak oppervlakkig verklaard vanuit de opkomst van het massamedium televisie.

De Franse politiek denker Pierre Rosanvallon biedt een overtuigend langer tijdsperspectief in zijn recente boek Le bon gouvernement. Zijn analyse vertrekt – we zijn in Parijs – bij de Franse Revolutie. In 1789 kwam een einde aan de willekeur van de absolute vorst; vanaf nu zette men in op het gezag van de wet, onpersoonlijk en algemeen. Het primaat lag bij het parlement, als beheerder van de soevereiniteit van het volk. Zoals destijds de Amerikanen hielden ook de Fransen de uitvoerende macht klein. Pas tijdens de Eerste Wereldoorlog groeide in Parijs en elders het besef dat in een noodsituatie alle kracht en energie (ten minste tijdelijk) in één hand moesten worden verenigd. De economische crisis van de jaren dertig versterkte de positie van de executieve macht verder. Het ging en gaat niet meer om algemene wetten die als vanzelf een maatschappelijke orde stutten, maar om besluiten, maatregelen en decreten, om scholen en ziekenhuizen die gebouwd, economische groei die behaald moet worden. Rosanvallon wijst erop dat ons denken over democratie niet is meegegroeid. Hoe legitimiteitstheorieën die letten op de kracht van de parlementaire vertegenwoordiging geschikt te maken voor het duiden van de vandaag cruciale band tussen regeerders en geregeerden? En hoe het idee van sterk persoonlijk uitvoerend gezag te rijmen met de soevereiniteit van het volk? Het klassieke antwoord luidt: dankzij de stembus. Door verkiezingen geven we een president – of een parlementaire meerderheidsregering – de toestemming ons te besturen; de afrekening volgt vier of vijf jaar later. Rosanvallon meent dat deze ‘toestemmingsdemocratie’ niet langer volstaat. Het stelsel is kwetsbaar voor onliberale uitwassen (Orban, Erdogan of Poetin). Maar ook in West-Europa willen kiezers meer tussentijdse controle over de uitoefening van de macht. Dat kunnen de parlementen niet alleen af, zoals ook in Nederland bij elke enquête weer blijkt. Vandaar modieuze thema’s als transparantie en leesbaarheid; integriteit en vertrouwensherstel, of ook de roep om referenda.

Een wereld vol schokken en onverwachte wendingen vraagt om specifieke politieke besluiten, eerder dan om algemene wetten. Het publiek vraagt drie zaken: dat individueel verantwoordelijkheid wordt genomen, dat een politicus een plan of visie heeft, dat de politiek leesbaar is. Alle drie gaan ze richting verpersoonlijking van de politiek, maar alle drie kennen ze ook hun eigen misstand: een permanent beroep op een noodtoestand, het verwarren van plan en daad, een overmaat aan communicatie.