Column

Succesvolste politieke moord in decennia

Zo trots was de moordenaar van de Israëlische premier Rabin op zijn daad, dat hij ook zijn zoon voorgoed met de moord wilde verbinden. Het jongetje, verwekt tijdens een echtelijk bezoek in de gevangenis, onderging zijn besnijdenis ook in de gevangenis. En dit feestelijke ritueel, teken van het verbond tussen God en het Joodse volk, voltrok zich op exact de dag waarop zijn vader twaalf jaar eerder met twee schoten een eind had gemaakt aan het leven van Yitzhak Rabin. Als het ware om die gewelddaad te vieren.

De moordenaar, de Joodse extremist Yigal Amir, woonde de plechtigheid in handboeien bij. Het jochie moet onlangs acht jaar zijn geworden – met een moord, en de verstoring van de beste kans op vrede in jaren, als fundament van zijn leven.

De moord op Rabin, op 4 november 1995 en deze week dus twintig jaar geleden, was een harde, waarschijnlijk fatale slag voor het vredesproces tussen Israël en de Palestijnen. En dat was precies wat Amir wilde bereiken. Daarom was het „een van de succesvolste politieke moorden van de 20ste eeuw”, is de bittere conclusie van Jeremy Bowen, Midden-Oostenredacteur van de BBC, in een terugblik.

Bowen was er die zomer als correspondent aan de slag gegaan. De akkoorden die Rabin met de Palestijnen had gesloten leidden tot intense verdeeldheid in Israël en onder de Palestijnen. Er was bitter verzet tegen, herinnert hij zich – van Hamas en van rechtse Israëliërs die het onacceptabel vonden dat Israël (bezet) land zou moeten afstaan.

Op protestbijeenkomsten, die toenmalig oppositieleider Benjamin Netanyahu soms bijwoonde, werd Rabin afgeschilderd als een verrader. Er verschenen affiches waarop hij, de premier van Israël, met een geblokte Palestijnse sjaal of in SS-uniform was afgebeeld. Er werd ‘Dood aan Rabin’ geroepen. Ondertussen ontketende Hamas een reeks zelfmoordaanslagen. En in dat klimaat sprak Rabin op die avond van 4 november in Tel Aviv een massabetoging voor de vredesakkoorden toe. Toen hij na afloop van zijn speech naar zijn auto liep, sloeg Amir toe.

Van de hoop op vrede die Rabin belichaamde is nu vrijwel niets meer over. Hij was geen idealistische dromer, eerder een havik. Als generaal had hij groot gezag opgebouwd. Hij stond sceptisch tegenover idealistische vergezichten. Maar hij was tot de conclusie gekomen dat het in Israëls belang was serieus te proberen met de Palestijnen tot een vergelijk te komen. Voor het Witte Huis, waar hij in 1993 de Oslo-akkoorden had getekend en de hand van Yasser Arafat had geschud, zei hij: „Wij, die hebben gevochten tegen jullie, Palestijnen, zeggen nu luid en duidelijk tegen jullie: genoeg bloed en tranen, genoeg.”

Als je nu kijkt naar de uitzichtloze situatie waarin het vredesproces is beland, is het verleidelijk te denken dat Amir met zijn pistool meer invloed op de recente geschiedenis van Israël heeft gehad dan Rabin met zijn akkoorden. De uitbreiding van Joodse nederzettingen in bezet Palestijns gebied is doorgegaan. Een Palestijnse staat is er nog altijd niet. Onverzoenlijk rechts is dominant geworden in de Israëlische politiek. Van de aanhang van Rabin en zijn vredespolitiek is niets meer over. En zijn toenmalige tegenstander, Netanyahu, is al jarenlang premier en heeft dit voorjaar weer een nieuw mandaat van de kiezers gekregen.

Of het anders was gelopen als Rabin níét was vermoord, valt niet te zeggen. Had het vredesproces dan wél vruchten afgeworpen? Of was het dan ook gestrand, op een andere onvoorziene gebeurtenis, op verzet in de Israëlische samenleving, of op het zwakke leiderschap en de verdeeldheid van de Palestijnen?

Zeker is alleen dat Israël, en het vredesproces, op een cruciaal moment een pragmatische en krachtige leider met visie verloren. En daarmee zicht op een weg naar vrede. Iets wat nu pijnlijk ontbreekt.