NRC tipt: vijf boeken voor in het weekend

Vijf weekendtips van de boekenredactie van ‘NRC Handelsblad’

Ilias: Homerus

(●●●●●)
Het is nog steeds een wonder dat onze westerse literatuurgeschiedenis begint met een prachtige avonturenroman: de Ilias van Homerus. Een spannend verhaal van 15.693 versregels, verdeeld over 24 boeken, over de wrok en onmin in het Griekse leger, dat al tien jaar voor de poorten van Troje ligt, maar de stad nog steeds niet heeft kunnen veroveren. Van deze Ilias is nu een nieuwe vertaling verschenen: van Imme Dros, die in 1991 al, en met veel succes (ruim 100.000 exemplaren), een vertaling van de Odyssee maakte. Het blijkt een vlotte en frisse vertaling. Opvallend is de spreekzaligheid.

De Jungleboeken: Rudyard Kipling

(●●●●○)
Eenentachtig jaar na de verschijning van de eerste Nederlandse vertaling van Rudyard Kiplings De jungleboeken, verschijnt nu, ter ere van het 150-jarig overlijden van de auteur, een nieuwe Nederlandse vertaling. En die blijkt opmerkelijk. Want wie alleen de film kent, ziet dat de oorspronkelijk tekst weinig overeenkomt met de Disneyversie. De verhalen zijn gewelddadig, Mowgli moordt en martelt. Niet voor niets noemt Midas Dekkers De jungleboeken in zijn voorwoord bij de Nederlandse uitgave ‘het Oude Testament van de Natuur’.

Dictator: Robert Harris

(●●●●○)
Het laatste deel van Robert Harris’ trilogie over advocaat, politicus en filosoof Marcus Tullius Cicero waarin Julius Caesar half Europa uitmoordt en Cicero zelf wordt onthoofd en onthand. Meer nog dan Cicero’s slimme redevoeringen – de Philippicae Orationes tegen Marcus Antonius, die Cicero de kop kostten, komen uitgebreid aan bod – zijn het de aangehaalde gedachten uit zijn filosofische werken die doen verlangen naar herlezing van Cicero’s teksten, over bijvoorbeeld vriendschap. Cicero’s woorden liggen, intelligent gepopulariseerd, na 2.000 jaar in alle boekhandels.

De bezitlozen: Szilárd Borbély

(●●●●○)
Veel gebeurt er niet in De bezitlozen, het romandebuut van de Hongaarse dichter Szilárd Borbély dat zich afspeelt aan het begin van de jaren zeventig in een dorp in Hongarije. Toch blijf je tot aan de laatste bladzijde gefascineerd doorlezen, juist omdat Borbély laat zien hoe het communisme het individu wist te vernietigen en de meest primitieve instincten in de mens naar boven liet komen. Ook weet hij heel goed de Tsjechoviaanse lethargie te verbeelden die je in het communistische Oost-Europa van vóór 1989 overal tegenkwam en die velen hun identiteit en menselijkheid ontnam. Dat laatste wordt indringend onderstreept wanneer de verteller het over de plotselinge dood van zijn kleine broertje heeft: ‘Toen de Kleine wegging, nam hij slechts een naam mee. Zijn eigen naam.’ Alsof dat broertje blij mocht zijn dat hij in Borbély’s wereld niet volwassen zou worden.

De hel van 1812: Bart Funnekotter

(●●●●○)
In het voorjaar van 1812 maakten een half miljoen militairen en ondersteunend personeel zich klaar om in naam van Napoleon naar Rusland te trekken. Ze namen afscheid van hun dierbaren ‘met gevoelens van twijfelachtig weerzien’, aldus de 20-jarige cavalerist Piet Geesteranus. Hij was een van de ongeveer 15.000 Nederlanders die mee marcheerden. Zijn vaderland zag hij niet meer terug: hij stierf roemloos in krijgsgevangenschap.
Dankzij Bart Funnekotters De hel van 1812 heeft Geesteranus na twee eeuwen zijn stem terug, net als zo’n dertig andere Nederlandse Ruslandgangers, van wie brieven, dagboeken en memoires in archieven onaangeroerd bleven.