Kleurrijke klaagzang over vlakke mannen en een vorstelijke vrouw

Van de drie koningen, die we nog altijd op 6 januari, herdenken, weten we eigenlijk weinig. In de nieuwe roman van Désanne van Brederode, Vallende vorst, komen de drie mannen Caspar, Melchior en Balthasar, in afzonderlijke hoofdstukken aan bod, zonder weet te hebben van elkaar. De roman speelt zich af in deze tijd, met verwijzingen naar de Kroningsdag, het Holleeder-proces en martelpraktijken in Guantánamo Bay. De vraag is natuurlijk wat Van Brederode doet met deze symbolische figuren, die zo nadrukkelijk opereren in de periode tussen Kerstmis en 6 januari. Hebben zij ook een opdracht, of een geschenk aan de wereld?

Het duurt lang voordat er zich in Vallende vorst iets begint af te tekenen. Van Brederode is lang van stof, zoals altijd, en vertelt uitgebreid over familieachtergronden, leerprestaties, uiterlijk en kleding. Dat maakt de mannen niet meteen tot levendige figuren. Ze worden vlak en kleurloos gekarakteriseerd. ‘Gelukkig was Caspar niet. Ongelukkig evenmin’, lezen we over een toch al weinig tot de verbeelding sprekende leraar, echtgenoot en vader. Melchior is scheikundige, maar had eigenlijk persfotograaf willen worden. Balthasar, parlementair verslaggever, praat even ‘makkelijk over toneel en films als over voetbal’.

Van Brederode wil ons laten geloven dat haar hoofdpersonen een missie hebben, net als de drie koningen. Ze proberen iets goeds te doen, al is het ook op bescheiden schaal. Caspar trekt zich het lot van een vriendin aan, die door haar man is bedrogen. Melchior redt tijdens een winternacht een Hells Angel van de verdrinkingsdood en raakt daarna bevriend met de joviale Amsterdammer. Balthasar pakt het het groots aan door lid te worden van een Syriëcomité waarna hij zich inzet voor Syrische oorlogsslachtoffers.

Er gebeurt van alles in Vallende vorst. Soms zijn er ronduit spannende scènes met een getrokken pistool en een politie-inval, of duistere manipulaties met crimineel geld. Maar het merkwaardige is dat je bij Van Brederodes helden van die reuring weinig terug ziet. Wat er ook mis gaat – en bijna alles gaat mis in deze roman – het blijven bleke, inwisselbare types.

Het enige geslaagde personage is Desirée, de bedrogen vrouw uit het Melchior-verhaal. Zij spreekt recht uit haar hart. In alle toonaarden laat ze weten hoe ellendig ze er aan toe is nadat is gebleken dat haar man haar al vijf jaar bedriegt. En nog een buitenechtelijke dochter heeft ook. Het mooie van de kleurrijke klaagzang van Désirée is dat zij niet alleen wijst naar anderen. Van Brederode weet goed over te brengen dat zij zwaar teleurgesteld is in de bedrieger, maar ook in zichzelf. Hoe heeft ze ooit gelukkig kunnen zijn met man en kind terwijl haar huwelijk één grote leugen was? Wat zegt dat over haarzelf? ‘Waarschijnlijk was ze alleen maar zo lang te bedriegen geweest omdat zijzelf bedrieglijk was. Een veinzer en een pleaser. Onecht tot op het bot.’ Een gloedvolle, vorstelijke dame, die niets ontziend in eigen boezem tast – aan haar had ik de hele roman gewijd willen zien.