Heimwee naar zwart Ripuarië

In twee boeken over Limburgse mijnwerkers worden zowel de vrouwen van de mijnwerkers als een ploeterende mijnpionier uitgelicht. Daardoor krijg je een extra goed inkijkje in die arme, duistere wereld.

Een mijnwerker, waarschijnlijk van Staatsmijn Wilhelmina, in het badlokaal, 1955 Foto RHCL/Collectie Staatsmijnen/DSM

Heilust is een woonwijk aan Kaalheide tussen Heerlen en Kerkrade, in het noorden begrensd door Terwinselen en ten westen door Spekholzerheide. Ze spreken er Ripuarisch, de toontaal waartoe ook het Keulse en Akense dialect behoren. Geen Nederlands dus. Het heuvelt er sterker dan elders in ons land en geologisch sluit het meer aan bij Duitsland en België dan bij noordelijker gronden.

Dat zuidoostelijk Limburg toch in Nederland ligt zou je een historische anomalie kunnen noemen. We zijn daar niettemin ruim een eeuw lang dankbaar voor geweest. ‘Ripuarië’ is een steenkoolrijk gebied, in de rest van Nederland moest men zich met turf bedienen. Particulieren, maar vooral ook de Nederlandse Staat hebben er vanaf 1900 naar hartenlust gedolven naar ‘het zwarte goud’.

Na de vondst van de enorme gasbel bij Slochteren in 1959 werden mijnen als de Dominiale, Oranje Nassau en Willem-Sophia echter vrij snel gesloten. Mijlpaal is de toespraak van toenmalig minister van Economische Zaken Joop den Uyl in de Stadsschouwburg te Heerlen in 1965. Een visionair verhaal, en: ‘geen sluitingen zonder vervangende werkgelegenheid…’ De werkelijkheid wees helaas anders uit, zuidelijk Limburg verpauperde.

Den Uyls rede is nu vijftig jaar geleden, reden wellicht van de verschijning van twee boeken waarin het Ripuarisch mijnwerkersleven centraal staat. Marcia Luyten schreef Het geluk van Limburg, een geschiedenis ‘op de huid van de mensen’, met name van ene Sjakie Vinders. Ook geeft Luyten een uitgebreid gedocumenteerde, persoonlijk getoonzette geschiedenis van het ondergrondse bestaan in haar geboortestreek van 1300 tot nu.

Stof en herrie

Het leven was er geen feest. Stof dat de longen dicht deed slibben, zware arbeid – hitte, herrie. Gevaar ook, getuige het beruchte ongeval te Brunssum in 1947: ‘Op 636 meter diep in de Staatsmijn Hendrik was een rubberen transportband te heet geworden en in brand gevlogen. Het mijngas in de lucht ontvlamde, houten stutten gingen branden en het vuur kolkte door de onderaardse gangen. Door de immense hitte en de onbereikbaarheid van de ingestorte pijlers duurde het weken voordat alle dertien slachtoffers werden geborgen.’

Hoe kreeg je mensen zo ver zich in die potentiële hel te wagen? Luyten wijst op social engineering (door Kerk, Staat, mijnonderneming) , en haalt (heel leuk) het kinderboek Hans en Nellie ontdekken kolenland (1953) aan: ‘Er komt een groep jongens aangemarcheerd met blauwe overalls aan en een mooie zwarte pet op. „Horen die jongens bij de mijn, meneer?’’ roept Hans verbaasd uit. „Jazeker, die jongens leren het mijnwerkersvak.” ’ Verwezen wordt hier naar de Ondergrondse Vakschool, de ambachtsschool voor mijnwerkers. Een degelijke opleiding waar niet alleen de steeds technischer kanten van het vak werden onderwezen, maar die tevens status verleende aan de eerder vaak als mijnslaaf beschouwde kompels.

Luytens ambitie gaat verder dan het ondergrondse leven. Ze schetst een nagenoeg compleet, kleurrijk beeld van de mijnwerkersgemeenschap in Heilust en omstreken, met bijzonder veel aandacht voor de vrouw die dat koolzwarte leven wit probeerde te wassen. De rol van mijnheer pastoor, duivensport, muziekverenigingen (fanfare), de voetbalclub (Limburgia), huisvesting, verzekering, omgang onderling, et cetera. De manier waarop Marcia Luyten door al deze gegevens en beschouwingen een illustratieve Jack Vinders-biografie weet te vlechten is bewonderenswaardig.

Tegelijkertijd is ze vaak erg omstandig, haar toon wat al te… ripuarisch. Zangerig, sentimenteel, soms met wonderlijke analyses: ‘Het Koninkrijk der Nederlanden had zijn appendix, zijn anker in het zuiden, waardoor Nederland nooit echt een Scandinavisch land zou zijn, omdat het met zijn katholieke Limburg letterlijk aanhaakte bij het hartland van Europa.’ Hoe Scandinavisch zou Nederland zonder Limburg zijn geworden?

Een heel andere toon vinden we in Ferdi Schrootens Nonk Theo en de mijnen. Schrooten reconstrueerde meeslepend het leven van zijn oom, die aan het Limburgse mijnwerkersbestaan probeerde te ontsnappen door naar Australië te reizen. ‘Hier geen kerk, familie, of staat die je onder de knoet hield. Geen gemeenschap waar “gewoon al gek genoeg was.” Hier kon je na je werk met je maten kangoeroes of emoes knallen, als beloning voor het goud dat je ondergronds had gedolven.’

Schrootens boek is een queeste, een reisverhaal, bijna Amerikaans van vaart. De lezer wordt meegenomen langs tal van oude vrienden en bekenden van oom Theo, die een extreem avontuurlijk leven blijkt te hebben gehad. Spoedig na aankomst down under blijkt hij toch weer in een mijn terecht te zijn gekomen – kennelijk kroop het bloed waar het aanvankelijk niet had willen gaan.

‘Ploeterpionier’ Theo werkte in 1955 in een uraniummijn, ‘als delver van munitie voor nucleaire massavernietigingswapens.’ Neef Ferdi is al die jaren later ter plekke, zoals hij op heel veel plaatsen in de voetstappen van zijn oom staat. Naast een uitstekend oog voor landschap en bevolking van Australië, heeft Schrooten smaak voor het beeldende detail: ‘De eerste trein die hier eind 1953 aankwam, heette de Atomic Comet. Op het shirt van de plaatselijke voetbalclub stond een afschrikwekkende paddenstoelwolk. De nieuwsbrief voor de inwoners heette de Radio Activity.’ De conclusie is dan wel weer een tikje zwaar op de hand: ‘Het ultieme massavernietigingswapen, Made in Australia, met de groeten uit Radium Hill?’

Zenuwinzinkingen

Nonk Theo, zo ontdekt Schrooten, bezat een eigen goudmijn (Mount Britton), werd opgelicht door compagnons (onder wie een oud-SS’er), raakte aan de drank, had zenuwinzinkingen: ‘Nonk Theo is kapot gegaan aan zijn grote avontuur. Maar dat was ook gebeurd als hij in Heerlerheide was gebleven en zich mee had laten voeren op de stroom, zoals zo velen.’

Hier en daar produceert Schrooten verbijsterend onzangerige regels: ‘Die zondagmiddag was mijn nakende trip over de zuidelijke hemisfeer nog een fluïde emulsie.’ En als hij na een ademloos verslonden eerste deel nog een tweede inzet wordt Nonk Theo en de mijnen de lezer wel wat al te machtig. Als Theo dan ook via een pendelmedium het woord tot zijn neefje richt en zegt dat hij diens speurtocht waarderend volgt, rijzen onze wenkbrauwen.

Jack Vinders, hoofdpersoon in de biografische delen van Marcia Luytens Het geluk van Limburg, liet zich niet meevoeren op de stroom en is zanger geworden. Met hymnen als Urr hat allenau inne feeler, Iech veul mich jód, of De lù van hu is hij op Youtube te vinden, deze troubadour van Ripuarië. Een wonderschone stem, vol weemoed over het verloren steenkoolland.