‘Dit kan echt iedereen overkomen’

Een welvarend leven, goede baan, fijn huis – en ineens sta je in de rij bij de voedselbank. Door pech, dubbele lasten, een faillissement. „Ik fiets vaak huilend hier naartoe, nog steeds in ongeloof dat ik deze hulp nodig heb.”

Foto Olivier Middendorp

Aan de achterkant van basisschool De Evenaar geen rennende kinderen, maar sjouwende volwassenen. Twee lokalen van het schoolgebouw in Oost zijn gehuurd door Voedselbank Amsterdam. Het is een zonnige vrijdagochtend aan het Ambonplein, een vrachtwagen laadt een tiental pallets uit; pasta, vruchtensap, groenten en potten appelmoes worden naar binnen gebracht. Maar ook chips en winegums. „Ongezonde troep hebben we meestal in overvloed”, vertelt vaste vrijwilliger Theo van Ghesel Grothe, terwijl de eerste klanten binnendruppelen.

Zo’n 2.000 Amsterdamse huishoudens krijgen wekelijks een voedselpakket, op te halen bij een van de 15 uitgiftepunten, verspreid over de stad. Alleen mensen met een vaste woon- of verblijfplaats worden geholpen door de voedselbank; dak- en thuislozen en ook vluchtelingen vallen onder andere hulpprogramma’s. Sinds de crisis hebben de landelijke voedselbanken ieder jaar hun klantenbestand zien toenemen; in 2009 werden 50.000 mensen geholpen met extra voedsel, in 2014 was dit aantal gestegen tot ruim 90.000.

De afgelopen jaren klopten ook steeds meer voorheen welvarenden op de deur. Mensen die waren ontslagen, dubbele woonlasten hadden en hier niet meer uitkwamen. Of zzp’ers en ondernemers die over de kop gingen. „Het kan iedereen overkomen” zou de pay-off van de voedselbank kunnen zijn; zowel klanten als medewerkers gebruiken de ‘slogan’ als ze hun verhaal vertellen.

Zoals Stella de Swart (49), alleenstaande moeder van Kick (11) en Pleun (8) en sinds een jaar klant in Oost. Begin 2012 verloor zij haar baan als accountmanager voor een modemerk. „Een flinke tegenvaller. Toch probeerde ik er iets positiefs uit te halen; vol goede moed startte ik in dezelfde sector als ondernemer.” Maar het avontuur mislukte; De Swart ging failliet en hield er een relatief bescheiden schuld van 8.000 euro aan over. Het was vooral de te hoge hypotheek voor een onverkoopbaar huis waardoor ze in de bijstand en schuldsanering belandde. En bij de voedselbank. „Een immens verschil met vijf jaar terug, toen ik nog in Zuid in een prachtig appartement met fitness en zwembad woonde. Ik fiets vaak huilend hier naartoe, nog steeds in ongeloof dat ik deze hulp nodig heb.” Tegelijk ziet ze de voedselbank ook als een zegen: „Hoe erg ik mijn situatie ook vind, ik heb ervan geleerd dankbaar te zijn.” De Swart houdt intensief contact met haar netwerk: „Ik wil zo snel mogelijk uit de bijstand en schuldsanering. Weer in de mode, of in de hulpverlening – een sector waar ik door mijn huidige situatie veel affiniteit mee heb.”

Minder dan 180 euro

In het rijke Nederland is arm zijn minder schrijnend dan in landen waar de samenleving als geheel arm is. „Maar armoede in eigen land wordt vaak onderschat”, vindt woordvoerder Voedselbank Amsterdam Marie-Lou Florisson: „Het is een misvatting dat het in Nederland niet mogelijk is om op straat te belanden of honger te hebben. Zelfs in onze verzorgingsstaat vallen sommige mensen net tussen wal en schip.” Een eenpersoonshuishouden komt in aanmerking voor de voedselbank als het maandelijkse feitelijke leefgeld – het geld dat na aftrek van alle vaste lasten overblijft voor zaken als eten, drinken en kleding – onder de 180 euro ligt. Florisson: „Probeer maar eens van 180 euro rond te komen. Dan komt die honger vanzelf.” De website van Voedselbanken Nederland laat zien wat dit in praktijk betekent: een moeder met 2 kinderen heeft dan maximaal 9 euro per dag voor eten, kleding, verjaardagen, Sinterklaas en schoolreisjes; een gezin (2 volwassenen, 2 kinderen) moet leven van 11 euro of minder per dag. Een intake bij aanmelding moet zorgen voor een correcte selectie van hulpbehoevenden; bankafschriften, schuld- en inkomensoverzichten worden gecheckt. Eenmaal klant toetst de voedselbank minimaal eens per half jaar het besteedbaar inkomen.

Oud-IT’er Maarten ter Horst (57) voldoet sinds drie maanden aan de criteria voor de wekelijkse voedselhulp: „Ik had zelfs eerder kunnen komen, maar het kwam gewoon niet in me op. Ik had nooit verwacht ooit mijn hand op te moeten houden voor eten.” Voordat Ter Horst in 2011 werd ontslagen, verdiende hij 75.000 euro per jaar. Voor het eerst in zijn leven moest hij aanspraak maken op een uitkering. Drie jaar lang fanatiek solliciteren leidde tot niks, hij kwam in de bijstand. Ter Horst: „Met mijn leeftijd heb ik nog meer kans op het winnen van de loterij dan het vinden van een baan.” Na een financiële tegenvaller begon hij achter te lopen met zijn huur. De nekslag, volgens Ter Horst. Margje Polman Tuin, coördinator Voedselbank Amsterdam Oost, valt hem bij: „Huurachterstand is vaak het begin van het einde. Een maand huur of hypotheek uitstellen terwijl je al niet meer rondkomt; dat haal je nooit meer in. De schuld wordt alleen maar groter.” Ter Horst ziet voorlopig geen einde komen aan zijn ellende. „Ik zou niet weten hoe. Ik heb geen vangnet; van mijn familie was ik de grootverdiener, de enige doctorandus en trots van het gezin. Ik zie hoeveel pijn het mijn vader doet dat juist ik in deze situatie ben beland.”

Zo’n 400 vaste vrijwilligers, van inpakkers tot ICT’ers, van locatiemanagers tot communicatiemedewerkers, werken voor Voedselbank Amsterdam. Op deze uitgiftedag van locatie Oost zijn 15 mensen aan het inpakken, uitgeven en koffieschenken. Wat opvalt is dat de verhalen van veel vrijwilligers overeen komen met die van hun klanten: ontslagen op middelbare leeftijd, komen ze erachter ‘bejaard’ te zijn voor de arbeidsmarkt. Dat zij hier inpakken in plaats van ophalen is vaak te danken aan een (goed) verdienende partner. Zoals Van Ghesel Grothe, getrouwd, vader van drie tieners en voorheen projectmanager in de telecom. Hij laat zijn kinderen af en toe meehelpen bij de voedselbank. „Ook deze wereld bestaat, dat wil ik ze laten zien. En het besef meegeven dat wij hier net zo goed in de rij hadden kunnen staan.”

Voedseloverschot supermarkten

Twintig supermarkten in Amsterdam – variërend van Albert Heijn, Marqt, een lokale super, markthallen en groothandels – doneren hun voedseloverschot aan de Voedselbank. Een busje rijdt dagelijks langs bij de donateurs, om de opbrengst af te leveren bij de centrale loods van Voedselbank Amsterdam op de Archangelkade. Daar worden de spullen verdeeld en gedistribueerd naar de uitgiftepunten. Vaak gaat het om producten die volgens de regels van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) nog te kort houdbaar zijn voor de verkoop. Bij de uitgiftepunten worden soms ook lokale acties georganiseerd; bijvoorbeeld door aan winkelende mensen te vragen iets toe te voegen aan hun boodschappenlijstje.

Een oudere heer loopt naar binnen, met geruite pet en jutezak over de schouder, alsof hij net zijn land af is gestapt. Een boer uit Noord; de aardappelen zijn een spontane gift. „Met dit soort hartelijkheid zijn we enorm blij”, zegt coördinator Polman Tuin. Slechts 0,5 procent van het voedseloverschot in Nederland komt terecht bij de voedselbanken, vertelt woordvoerder Florisson. „Deels heeft dit met korte houdbaarheid te maken, maar het overgrote deel wordt gedachteloos in de vuilnisbak gekieperd. We kunnen zeker nog donateurs gebruiken; vooral vlees en zuivel hebben we zelden.”

Een voedselpakket is een aanvulling. Ieder huishouden ontvangt voor ongeveer 2,5 dag aan eten. Polman Tuin: „Elke klant krijgt dezelfde producten, alleen de hoeveelheid is afhankelijk van de grootte van het huishouden. We gaan voor een zo gebalanceerd mogelijk pakket met bijvoorbeeld groente, rijst, brood en beleg.”

Coming out

Op een tafel staan koffie en speculaasjes. Een aantal klanten strijkt even neer, zo ook Stella de Swart. Een belangrijk contactmoment voor velen; armoede gaat vaak gepaard met eenzaamheid. Polman Tuin: „Bijna ieder uitje kost geld. Maar schaamte is de voornaamste oorzaak. Sommigen lopen snel in en uit, zo gênant vinden ze hun situatie.” De meeste klanten willen voor dit verhaal dan ook niet herkenbaar in beeld. De Swart begrijpt dit goed, ook zij hield het in het begin stil voor haar omgeving. Maar na een maand ging bij haar de knop om. „Ik wilde me niet meer schamen en het taboe op armoede doorbreken. Sindsdien post ik iedere week een foto van het pakket op Facebook, met mijn eigen recepten. De eerste keer voelde als een coming out, maar ik kreeg zoveel positieve reacties, dat ik wist dat het een goede zet was geweest.”