De kunst is om ze weer in zichzelf te laten geloven

In Rotterdam zijn genoeg kansarme jongeren. En ook genoeg projecten om hen aan het werk te krijgen. Maar desillusie en discriminatie blijken taai. „Elke jongere is er een.”

De 17-jarige Dilan werkt in het Erasmusziekenhuis voor haar schoonmaakopleiding. Vandaag doet ze de bedden. Foto Rien Zilvold

Er kan geen lachje af. Ernstig schuift de 17-jarige Chris de stofzuiger door de gang van een verpleegafdeling van het Erasmus MC. Docent Monique Klebach van het Olympia College gaat even naar hem toe. „Het gaat goed,he?” Ze weet hoe spannend hij dit werk in het ziekenhuis vindt.

Hij is niet de enige, vertelt ze. Voor haar leerlingen is de weg hierheen – door de stad, met de metro – al een wereldreis. Klebach heeft er zelf wakker van geleden. Gaan ze het allemaal vinden? En dan nog dat enorme ziekenhuis met al die deuren en gangen. De jongeren die meedoen aan dit project – bij aanvang in september twintig, nu veertien – volgen praktijkonderwijs aan het Olympia College of LMC. Scholen voor jongeren met een IQ tussen 55 en 80, voor het wie het vmbo net een stap te hoog is.

Het werk voor deze jongeren ligt niet voor het oprapen. Schoonmaakbedrijf Hago leidt samen met het Erasmus MC, de school en gemeente Rotterdam deze jongeren in twee jaar tijd op tot schoonmaker, in de ‘Topacademie’. Het klinkt goed, zoals veel Rotterdamse projecten dat op papier doen.

In 2014 en 2015 gingen liefst 32 projecten van start. Uiteenlopend van banenbeurzen, sollicitatietrainingen, bootcamps, een vacatureapp, een koffiebranderopleiding en een buddyproject. Allemaal verschillende aanbieders met verschillende visies op de werkloze Rotterdamse jeugd.

Maar de praktijk is weerbarstig. Dat weet docente Klebach als geen ander. Ze maakt zich geen illusies. Ze weet hoe lastig het is om stageplekken voor deze jongeren te regelen, laat staan een echte baan. Hoeveel jongeren er aan het eind van dit project aan het werk gaan in de schoonmaak? Ze glimlacht: „Elke jongere is er een.”

Voor veel jongeren is schoonmaken niet bepaald de droombaan. Voor ouders evenmin, vertelt docent Klebach. „Mijn kind hoeft niet schoon te maken, kreeg ik van een vader te horen.” Ze is al die jaren voor de klas wel wat gewend. De leerlingen klampen zich soms aan haar vast. „Zo’n grote jongen die het dan wel heel fijn vindt dat de ‘juf’ ook bij de stage is.”

De 17-jarige Dilan staat vandaag op de beddencentrale. Zij heeft zichtbaar plezier in haar werk. Met een glimlach stopt ze kussens in slopen en maakt ze bedden op. „Ik zou hier wel willen werken later. Lekker bezig.” Weer een grote glimlach. „Ik vind het uniform ook zo mooi.”

Na het schoonmaakwerk is het tijd voor theorie. De jongeren zetten zich met een boterham en cup-a-soup in het lokaaltje van de Hago bij het Erasmus. Aan de muur een veelzeggende waarschuwing. Jongeren die wel eens schoonmaakspullen „verstoppen” wordt vriendelijk gevraagd hiermee op te houden. De 18-jarige Adriana, een jonge moeder, vindt werken in het ziekenhuis wel mooi, maar schoonmaken niet. Ze wil verpleegkundige worden: ze heeft al eens voor bejaarden gezorgd.

Hago-medewerker Bart-Jan Burger begint met z’n les. Even een korte herhaling van volgende week. „Jongens, wat voor doekjes gebruiken we ook al weer?” Het blijft stil in de groep.

Ook bij reïntegratiebureau Sagènn kennen ze de Rotterdamse jongeren. De jongeren die al jaren op de bank zitten, die net uit de gevangenis komen of nog maar net gestopt zijn met school. Sagènn begeleidt in opdracht van de gemeente Rotterdam werkloze jongeren naar een bbl-opleiding, waarbij ze werken en naar school gaan. De groep klanten is groot en divers. De kunst is vooral, benadrukt Bas Oostenbrug, om jongeren weer in zichzelf te laten geloven. Dat geldt ook voor een 19-jarige jongen, die niet met zijn naam in de krant wil. Hij komt elke week naar Bas. Hij is gestopt met zijn logistieke opleiding en doet al een tijdje „niet zoveel”. Daar moet nu verandering in komen. Oostenbrug – grote vent, kaal hoofd – begroet de jongen joviaal. Zijn glimlach verdwijnt wanneer hij hoort dat de jongen zijn opdracht voor deze week niet heeft gemaakt. Hij zou zijn talenten opschrijven. Dit kan niet, vindt Oostenbrug. „Als je er niet uitkomt dan bel je me. Dan mail je.” De jongen kijkt naar de tafel.

Oostenbrug: „Weet je. Er is helemaal niet zoveel aan de hand met jou. Het is allemaal niet zo spannend. Je was hier eerst met je moeder. Ze heeft gelijk. Je bent een lieve jongen, maar ik verwacht van jou dat je in de doe-stand komt.” De jongen geeft toe: „Ik ben een beetje lui geworden.” Wat hij wil gaan doen? Hij weet het niet. Logistiek vond hij maar niets. Waarom hij dat had gekozen? De schouders gaan omhoog. „Ja, zomaar.”

De deur gaat open. De 26-jarige Derrick – haren verstopt onder een zwarte muts – komt binnen. Hij is al wat langer ‘vastgelopen’. Hij is aan tal van opleidingen begonnen – administratie, detailhandel, autotechniek – maar heeft niets afgemaakt. Nu is hij al weer vier jaar werkloos. „Ik heb ook nog even in detentie gezeten, maar die kant wil ik niet op.”

Eerder deed hij mee een sportproject, maar dat was geen succes. „Dan gingen we eerst fitnessen en daarna kregen we sollicitatietraining van een gast waarmee ik ben opgegroeid. Het sporten vond ik wel leuk, maar verder had ik daar niet zo veel aan.” Hij wijst naar zijn coach, deze wekelijkse gesprekken helpen wel. Oostenbrug: „Deze jongens moeten gewoon snel aan het werk. Er is geen reden waarom dat niet zou kunnen.”

Derrick laat zijn huiswerk zien. Een lijstje met opleidingen die hem wel wat lijken. Zorg, schilder, lasser. Oostenbrug knikt. Dit gaat goed komen. Hij gaat voor deze jongens zeker een plekje vinden. Hij weet dat niet alle bedrijven staan te springen om deze jongeren aan te nemen. Maar overtuigen is zijn vak. Hij maakt zich geen illusies. Het gebeurt dat ze soms na twee dagen – na een traject van maanden – niet meer op komen dagen. „Dan baal ik gigantisch. Maar er zijn ook succesverhalen, waar ik nog steeds trots op ben.”

Bij veel jongeren gaat het kiezen van een vervolgopleiding al mis. Aan begeleiding op school en thuis ontbreekt het vaak. Juist migrantenjongeren kiezen relatief vaak voor opleidingen waar weinig werk in is. Zij stapelen verschillende studies en hebben vaak een minder goed netwerk.

„Weet je. Er zijn jongeren hier die zelden de wijk uit komen”, klinkt bij het Jongerenwerk op Zuid aan de Kaapstraat in de Afrikaanderbuurt. Teamleider Fouad Al Bouayadi kent de Rotterdamse straat. Op de ‘hotspots’ waar deze jongerenwerkers komen, staan alle seinen op rood. Van schooluitval, werkloosheid, armoede, overlast, criminaliteit. Hij kent de vicieuze cirkels. „Er zijn jongens hier die zeggen: Fou, tof wat je doet, maar val mij niet lastig. Werken is niet voor mij.”

Maar de groep die wel wil, is vele malen groter. De jongerenwerker schudt zijn hoofd. Er zit zoveel power in deze jongeren, dit is geen verloren generatie.

Neem de 22-jarige Shiva, haren glad gekamd, trui met net bloesje eronder. Hij heeft z’n mbo-4 op zak, evenals zijn diploma voor heftruckchauffeur, maar kan geen werk vinden. „Ik heb nu al zeker zestig sollicitatiebrieven geschreven. In de meeste gevallen krijg ik niet eens een reactie terug. Ik begrijp er niets van. Ik hoor overal: er is werk, er is werk.”

Hij weet zeker dat zijn naam niet helpt. Dat merkte hij al bij het zoeken van een stageplek. De leerkracht op het roc geloofde niet dat er sprake was van discriminatie. „‘Dat valt wel mee’, riep hij elke keer. We hebben toen met een aantal klasgenoten dezelfde brief met een Nederlandse en met buitenlandse naam gestuurd. Raden wie er mocht komen?”

Niet gek dat allochtone scholieren alle stages, ook die waar ze vooral als goedkope krachten worden gezien en weinig leren, accepteren. „De scholen vinden het wel best. Zij krijgen geld voor de diploma’s, niet voor de schoolverlaters.” Shiva weet: de arbeidsdiscriminatie valt niet mee. De twee jongerenwerkers – zelf van Marokkaanse afkomst – knikken. Voorbeelden te over. Maar, klinkt het bemoedigend: volhouden. „Er hoeft maar één werkgever te zijn die je een kans geeft.”

Er zijn ook een hoop jongeren die net een extra duwtje in de rug nodig hebben, zegt Al Bouayadi. Hij vertelt over de 19-jarige jongen die thuis geen computer had, en geen idee had hoe hij een cv moest maken. Hij bedoelt maar. Dit zijn geen zelfredzame jongeren die op de fiets naar een banenbeurs aan de andere kant van de stad rijden. Niet gek dus, dat de gemeente soms jongeren niet goed weet te bereiken.

Roepen dat de kansloze jongeren in de stad niet willen, haalt niet zoveel uit, klinkt onder de jongerenwerkers. Zij geloven meer in de aanpak van het Nationaal Programma Rotterdam Zuid, een integrale aanpak van achterstanden in de probleemwijken. Een project van de lange adem. „De problemen zijn ook complex, maar je kunt deze jongeren niet zomaar afschrijven.”

„Je kunt wel roepen dat de jeugd niet wil, maar wat bereik je daar mee”, vraagt Yassin (25) zich af. „Daar motiveer je niemand mee.” Hij was ooit schoolverlater, zonder werk en zonder uitkering. Vier jaar lang zwierf hij rond, bij vrienden. Nu probeert hij er weer bovenop te komen, is begonnen met vrijwilligerswerk. „Op straat word je ook gehersenspoeld. Het is allemaal zo negatief. De buurman doet verkeerde dingen, je matties ook.”