Ach, je maakt gewoon iedereen uit voor jood

Rode draad in het romandebuut De bezitlozen van de Hongaarse dichter Borbély is de haat jegens iedereen die het vroeger beter had. De haat springt soms zo sterk van de bladzijden, dat je er beroerd van wordt.

Szilárd Borbély
Szilárd Borbély Foto Bilarius

Wat kan het leven toch grauw, gruwelijk en onbarmhartig zijn. Dat was het eerste wat ik dacht toen ik Szilárd Borbély’s roman De bezitlozen uit had. Het boek speelt zich af aan het begin van de jaren zeventig in een dorp in Hongarije, een land dat na 1945 door de Russen werd leeggeroofd als straf voor zijn collaboratie met de nazi’s. Moskou’s communistische zetbazen zijn er aan de macht. Iedereen die een bedrijf of een lap grond bezat, is onteigend en tot tweederangs burger verklaard. Tot groot vermaak van het rauwe volk, dat niet nalaat de voormalige ‘kapitalisten’ te vernederen. In zo’n onderwereld, waarin het bijna altijd lijkt te regenen, zijn liefde en menselijkheid rariteiten uit een al bijna vergeten verleden.

De rode draad in De bezitlozen is de haat jegens iedereen die het vroeger beter had. Door de korte, sobere zinnen van Borbély, die vaak aan het pregnante taalgebruik van zijn landgenote Ágota Kristóf doen denken, springt die haat soms zo sterk van de bladzijden, dat je er beroerd van wordt.

Borbély’s verteller is een puber, die opgroeit in een wereld vol modder en stront. Zijn vader, een voormalige landeigenaar die nu op een collectieve boerderij werkt, is aan de drank, zijn moeder heeft te lijden onder diens cholerische buien en wil voortdurend zelfmoord plegen, wat de verteller en zijn zusje telkens weten te voorkomen. En dan zijn er nog wat andere zonderlingen, zoals de ongetrouwde oudtante Máli en de joodse winkelier Mószi, die eind jaren veertig als enige van zijn familie is teruggekeerd van de ‘arbeidsdienst’.

Bekrompen wereld

Mószi staat model voor de goede mens die slachtoffer wordt van de haat en afgunst van zijn omgeving. Na zijn deportatie werd zijn huis geplunderd door zijn dorpsgenoten, die bij hem in het krijt stonden. Ze waren op zoek naar geld, omdat ze meenden dat de joodse winkelier schatrijk was. Borbély beschrijft het als volgt: ‘Het joodse bezit zagen ze als hun eigen, want toen werd hun al jaren verteld dat de joden alles van hen hadden afgepakt. Van de Hongaren. Dat moest worden teruggenomen. Weer teruggegeven aan de rechtmatige eigenaren.’

Net zo genadeloos zijn de dorpsbewoners voor de familieleden van de verteller. Ook zij worden uitgemaakt voor joden, niet omdat ze dat zijn, maar omdat ze als onteigende grondbezitters anders zijn dan de meerderheid in het dorp, omdat ze van elders komen. Iemand die niet doodgaat op de plek waar hij geboren werd, is in deze benauwende wereld verdacht.

De vader van de verteller schikt zich in zijn lotsbestemming door te spelen dat hij een jood is. Als ze me voor jood uitschelden, dan ben ik het ook, lijkt hij daarmee te willen zeggen. Maar tegelijkertijd zet Borbély je met die flirt met het jodendom op een dwaalspoor. Pas aan het einde van de roman kom je te weten waarom.

Tot die tijd viert die vader op vrijdagavond de sabbat en bidt hij met zijn gezicht naar het oosten gewend. En wanneer hij op zekere dag niet meer thuiskomt, omdat hij onafgebroken dronken in de goot ligt of in de kroeg rondhangt, zet zijn vrouw die sabbattraditie voort en wacht zijn gezin op de verlossing door de Messias. Maar die Messias – een symbool voor hoop op een betere wereld – is in de grauwe Hongaarse boerenbrij nergens te bekennen.

Broertje

Veel gebeurt er niet in deze roman. En toch blijf je tot aan de laatste bladzijde gefascineerd doorlezen, juist omdat Borbély, die na een depressie in 2014 zelfmoord pleegde, laat zien hoe het communisme het individu wist te vernietigen en de meest primitieve instincten in de mens naar boven liet komen. Ook weet hij heel goed de Tsjechoviaanse lethargie te verbeelden die je in het communistische Oost-Europa van vóór 1989 overal tegenkwam en die velen hun identiteit en menselijkheid ontnam. Dat laatste wordt indringend onderstreept wanneer de verteller het over de plotselinge dood van zijn kleine broertje heeft: ‘Toen de Kleine wegging, nam hij slechts een naam mee. Zijn eigen naam.’ Alsof dat broertje blij mocht zijn dat hij in Borbély’s wereld niet volwassen zou worden.