Aanpak jeugdwerkloosheid verzandt

Er zitten steeds meer jongeren in Rotterdam zonder werk, maar de talloze projecten van de gemeente worden niet geëvalueerd. „Dit is het grootste probleem van Rotterdam.”

Chris: Ik vind werken in het ziekenhuis spannend xxx

De aanpak door Rotterdam van de jeugdwerkloosheid faalt. Het beleid verzandt in een projectencarrousel terwijl het aantal jonge werklozen blijft oplopen. Dat komt deels omdat de gemeente de losse projecten niet structureel beoordeelt op effectiviteit. „Het is meer lullen dan poetsen”, zegt arbeidsmarktexpert Ton Wilthagen.

Rotterdam telt officieel 7.700 werkloze jongeren, 2.900 daarvan zitten in de bijstand. Nog een kleine dertienhonderd, schat de gemeente, zijn ‘onzichtbaar’: zij hebben geen werk, geen uitkering en volgen geen opleiding. In totaal zijn in 2014 en 2015 liefst 32 projecten gestart, maar het aantal werkloze jongeren blijft elk jaar gestaag oplopen. „We doen van alles, in de hoop dat het werkt”, zegt wethouder Maarten Struijvenberg (Werkgelegenheid, Leefbaar Rotterdam)

Amsterdamse aanpak

De aanpak van Amsterdam werpt wel vruchten af. Daar daalde de werkloosheid onder jongeren van 16,7 procent in 2013 naar 15,1 in 2014, blijkt uit CBS-cijfers. In Rotterdam liep de werkloosheid juist op van 17 naar 19,1 procent.

In Rotterdam worden de werkloosheidsprojecten, in tegenstelling tot Amsterdam, niet grondig geëvalueerd. Dat is opvallend. Al in 2011 in de ‘Evaluatie Actieplan Jeugdwerkloosheid Regio Rijnmond’ – toen de Rijnmondgemeenten de jeugdwerkloosheid met 72 initiatieven te lijf ging – werd het belang van duidelijke doelstellingen en meetbare resultaten al benadrukt. „Van voortgangsbewaking en bijsturing bij tegenvallende resultaten is onvoldoende sprake en het lerend vermogen is beperkt. Hierdoor wordt de meerwaarde van het plan vertroebeld”, concludeerde de eigen wetenschappelijke afdeling van Sociale Zaken van de gemeente Rotterdam.

De Rotterdamse projecten moeten inderdaad beter worden gemeten en worden afgerekend op prestaties, zegt wethouder Struijverberg nu, vier jaar later. „Dat zijn we aan de belastingbetaler verplicht.”

Volgens hoogleraar arbeidsrecht Ton Wilthagen aan de Universiteit van Tilburg zijn tientallen projecten de oplossing niet. De stad onderschat de problematiek, zegt hij. „De jeugdwerkloosheid is het grootste probleem van Rotterdam. De jonge bevolking is de levensverzekering van de stad. Zij moeten de komende 45 jaar de lokale economie draaien.” De groeiende groep werkloze jongeren, die meer en meer de moed hebben opgeheven, zijn bovendien vatbaar voor criminaliteit en radicalisering.

Daarom, zegt Wilthagen, moet de gemeente nu in actie komen. Ook arbeidssocioloog Fabian Dekker van de Erasmus Universiteit in Rotterdam ziet gevaren. „Nederland is een paradijs, maar er is een groeiende groep die niet meedoet. Zeker in de oude wijken in de grote steden. Jongeren met een gebroken loopbaan lopen littekens op. Er is meer visie nodig dan alleen een projectencarrousel.”

Wethouder Struijvenberg verdedigt zijn projectmatige aanpak en wijst op de ambitieuze doelen die de gemeente zich heeft gesteld. Eind 2017 480 minder jongeren met een uitkering. Struijvenberg wijst ook graag op de verantwoordelijkheid van de werkloze jongeren zelf. De groep die niet wil, die niet op komt dagen, is bij hem aan het verkeerde adres. In 2014 werden honderdvijftig onwillige jongeren gekort op de uitkering. Struijvenberg: „Ik doe mijn best, maar daar verwacht ik wel wat voor terug. De wereld draait niet alleen om deze jongeren.” De kritiek dat het probleem niet bij de jongeren ligt, maar dat de gemeente ze niet weet te bereiken, wuift hij weg.

Migrantenjongeren

Met name onder migrantenjongeren is de werkloosheid groot. Ook in Rotterdam. In sommige wijken is meer dan dertig procent van de jonderen werkloos. Maar jongeren die klagen over discriminatie op de arbeidsmarkt hoeven niet op sympathie van wethouder Struijvenberg te rekenen. „Het zal wel eens voorkomen, maar meestal niet. Maar er zijn jongeren die niet komen opdagen en dan discriminatie roepen. Ja, ik ben gekke Henkie niet.”

De achterstand bij migrantenjongeren heeft volgens de wethouder veel meer te maken met het kleine netwerk, de sociaal-economische status, culturele achtergrond en motivatie. „Ik heb daar geen onderzoek voor nodig. Dat noem ik gezond verstand. En daar zeg ik niets verkeerd mee.”

Het zijn woorden die niet goed vallen binnen de Rotterdamse politiek. De kritiek komt niet alleen van de oppositie. Gerda Eeuwijk van coalitiepartij D66 vindt dat het huidige beleid eens goed tegen het licht moeten worden gehouden. „Ik hou er niet van dat er voortdurend naar de jongeren wordt gewezen. Volgens mij zijn de jongeren van nu juist wel gemotiveerd. Maar meten is weten en we weten nu niet hoe effectief al deze trajecten daadwerkelijk zijn.”

De oppositie laat weinig heel van het beleid. Volgens Maarten van de Donk van de VVD is het elan er af. „De schouders moeten er echt weer onder. Hoeveel banen leveren deze projecten op?” Carlos Gonçalves van de PvdA noemt het beleid een ‘samenraapsel van projecten’. Volgens hem sluit de wethouder de ogen voor de echte problemen zoals arbeidsdiscriminatie. „Hij weigert in te zien dat dit een groot probleem is. Hij lijkt in een soort paralleluniversum te leven.” Ook Josine Strörmann van de SP windt zich op. „De jeugdwerkloosheid is een dramatisch probleem. Het slaat nergens op dat in sommige wijken zoveel jongeren werkloos thuis zitten. Het is echt hopeloos. Maar in de begroting 2016 wordt er wel weer 9 ton voor deze aanpak uitgetrokken.”