Verzorgingsstaat in een rijtjeshuis

Marianne Bathoorn is niet het soort vrouw dat met welkomstborden bij asielzoekerscentra staat. Ze vangt vluchtelingen thuis op, al jaren. Nu wonen Sharif en Abdullah bij haar.

Abdullah (23) maakt steeds sigaretten. Hij plukt tabak uit een rond blik, stop dat in het compartiment van een plastic apparaat, schuift er een lege filter in. Er zijn er net drie af. „Heb je dit weleens gezien?”, vraagt Marianne Bathoorn (55), terwijl ze haar sigaret aanneemt. „Ik kan het ook, van mijn jongens geleerd. In asielzoekerscentra ‘klikt’ iedereen. Veel goedkoper.” De derde sigaret is voor Sharif (22).

De afgelopen twee decennia hebben er tientallen vluchtelingen, asielzoekers, immigranten en vooral uitgeprocedeerden – hoe je ze ook maar noemen wilt – bij Bathoorn in huis gewoond. Ze is de tel kwijt. Het kunnen er wel vijftig zijn geweest. Sommige mensen logeerden er maar een nachtje, op doorreis naar meldpunt en asielzoekerscentrum Ter Apel, dat vanuit Emmen te bereiken is met de bus. Gevlucht uit Eritrea, Afghanistan, Somalië, waar er op dat moment in de wereld ellende was. Twee jaar geleden woonden er negen jonge Afghaanse mannen tegelijk in haar huis, het was een beetje uit de klauwen gelopen. Zelf sliep ze op de bank, op dat moment het rustigste plekje van het huis, zegt ze.

Asielzoekers horen meestal via via over Bathoorn, ze is niet aangesloten bij officiële instanties. Het is ook wel eens gebeurd dat de politie iemand kwam afleveren, als er nergens anders plek was. Vooral veel jonge mannen woonden bij Bathoorn. Die groep valt vaak tussen wal en schip. Terwijl ze juist op een leeftijd zijn waarop je je moet ontwikkelen in plaats van op pauze te staan. Vaak zijn ze gevlucht voor oorlog en hebben ze traumatische ervaringen. Het soort jonge mannen dus, dat de laatste tijd onomwonden ‘testosteronbom’ wordt genoemd.

Marianne Bathoorn is een kind van de jaren zestig. En het Nederland van nu is een verschrikking voor het slag mensen uit die tijd, zegt ze. Ze bedoelt de verzorgingsstaat die wordt uitgekleed en de egoïstische sfeer die daardoor in ons land de kop opsteekt. Bathoorn komt uit een rood nest. Als er in het land dingen gebeuren die het daglicht niet kunnen verdragen, moet je daar iets aan doen. Zo is ze opgevoed. En als er mensen zwakker zijn dan jij, help je ze.

De huiskamer is ingericht met een meubelpakket van de kringloop. Zwartleren banken, robuuste houten salontafel, eettafel, kast en stoelen – alles voor voor 350 euro.

Gewoon een rijtjeshuis met een achtertuin in Emmen. De zolder is opgedeeld in drie kleine kamertjes. Bathoorn doet alles zo goedkoop mogelijk. Ze werkt drie dagen per week in de zorg. De mensen aan wie ze onderdak verleent, dragen bij wat ze kunnen, maar vaak hebben ze nauwelijks iets te besteden. „Als het echt krap is, eten we pasta zonder vlees.” Ze heeft een poosje een stichting gehad waaraan mensen konden doneren, maar daar komt nu niets meer binnen. Soms gaat ze langs bij de voedselbank.

Bathoorn heeft ook profijt van de jongens die de laatste tijd bij haar hebben gewoond, zegt ze. Abdullah heeft de parketvloer gelegd. Straks gaan ze samen de kozijnen lakken. Bijna elke avond koken Sharif en Abdullah voor haar. „Rijst met saus”, Afghaans meestal. „Overdag zit ik vaak bij advocaten om papierwerk te regelen voor die jongens. Verder werk ik drie dagen met gehandicapten. En dan kom je thuis, staat het eten klaar. Daar word je heel lui van.” Ze wordt verwend, zegt ze.

Haar stem is een dwars geluid tussen de vloekende, angstige boze burgers, die de afgelopen tijd de hoofdrol speelden in het nieuws. Ze blijft laconiek onder die constatering. Bathoorn schreeuwt ook niet van de daken dat ze helpt, en dat hulp nodig is. Naar het Nederland dat massaal inzamelingsacties houdt voor vluchtelingen en met veel bombarie welkomstfeesten organiseert, kijkt ze argwanend. Ze noemt het „de vluchtelingenhype” en wijst erop dat vooral gekeken moet worden naar diegenen die zijn uitgeprocedeerd. Wat Marianne juist niet wil, is dat het de hele tijd gaat over wat zij doet. Ze is vaker geïnterviewd de laatste tijd. Om als ervaringsdeskundige te vertellen over hoe het is om met vluchtelingen te wonen. Er zijn nog weinig mensen te vinden die Syriërs voor langere tijd onderdak hebben geboden, Bathoorn heeft er ook nog niet over gehoord. Dat komt omdat ze meestal nog niet uitgeprocedeerd zijn; nu kunnen ze nog in asielzoekerscentra wonen.

Op een bepaald moment werd ze in artikelen en op tv ‘de Engel van Emmen’ genoemd – Bathoorn weet niet meer wie ermee begon. Ze kijkt vies als ze dat woord hoort. „Noem me dan de Bengel van Emmen.” Ze lacht, neemt een trek van haar sigaret. Bathoorn staat liever bekend als iemand die het de autoriteiten moeilijk kan maken. Niet als heilig boontje. Ze wil wél praten over het gebrek aan humaniteit in Nederland, en over waar haar jongens tegenaan lopen. En dan zegt ze: „Abdullah, vertel jij maar over jezelf.”

Abdullah

Abdullah (23) maakt tijdens het gesprek de sigaretten. Als hij dat niet doet, zit hij gemakkelijk op een van de leren banken. Strak overhemd, spijkerbroek, gel in zijn donkere haar. Hij lijkt ouder dan hij is. Sharif – die liever niets over zijn leven vertelt – en Abdullah lachen tijdens het gesprek soms een beetje naar elkaar, als Bathoorn weer eens veel achter elkaar vertelt. Sharif woont nu ongeveer een jaar bij Bathoorn en Abdullah twee jaar. Beiden willen liever niet met hun achternaam in de krant.

Abdullahs Nederlands is goed, hij is hier nu een jaar of vijf. Daar is een lange zwerftocht aan voorafgegaan: op zijn elfde vertrok hij uit Afghanistan. Hij behoort tot een Afghaanse minderheidsgroep. De keuze was, zegt hij: vechten tégen de Talibaan of met de Talibaan. Hij koos geen van beide en besloot te vluchten. Elf jaar oud en helemaal alleen. „Daar moet je niet van schrikken”, zegt Bathoorn. „Al die jongens gaan jong aan het werk.” Eerst kluste hij vier jaar in Iran, op een bouwplaats. Waar ze werkten, daar sliepen ze ook. Het verhaal ging dat het in Europa beter was. Dus met een paar andere Afghanen besloot hij na vier jaar te vertrekken. Abdullah woonde tijdens zijn tocht in elf landen, waaronder Griekenland, Italië, België, Duitsland en Frankrijk. Hij werkte een poosje als hulp van een mensensmokkelaar. Hij zag het als de enige manier om geld te verdienen en verder te kunnen reizen.

Abdullah maakte containers klaar voor vervoer van mensen en bracht ze naar de grens, zegt hij. Hij werd ervoor opgepakt en zat drie maanden vast. Later, in Frankrijk, woonde hij drie maanden op straat. Op ongelukkige ochtenden werd hij daar gewekt door de politie, met pepperspray. Abdullah kwam Afghanen tegen die op weg waren naar Nederland. „Ik ga ook naar Nederland”, zei hij meteen. Het was de eerste keer dat hij dat woord uitsprak: Nederland. Het zou de eindbestemming worden, besloot hij.

Alleen: hier begonnen de échte problemen eigenlijk pas, zegt Abdullah. Erger dan gewekt worden met pepperspray? Ja, zegt Abdullah. Over zijn loodzware tocht door Iran en Europa vertelde hij bijna als over een roadtrip: het zat allemaal wat tegen. Maar als het over Nederland gaat, klinkt de frustratie door in zijn stem. Hier begon de asielprocedure. Het startschot voor het grote niets. Wachten, vervelen, van het kastje naar de muur, bureaucratie verpakt als democratie. Hij zou vier maanden in het azc in Emmen blijven. Maar er verstreken na die periode nog maanden en er gebeurde niets. Zijn advocaat kwam niet langs. Er werden vrienden opgepakt en naar de gevangenis gebracht – uitgeprocedeerd. Er werden vrienden teruggestuurd naar hun geboorteland. Het leek alsof het systeem Abdullah was vergeten. Toen hij het meldde, moest hij binnen twee dagen het azc verlaten. Ineens was hij uitgeprocedeerd en illegaal. Terug naar Afghanistan kon hij niet. Abdullah trok in bij Bathoorn.

Abdullah: „Ik ben niet boos, maar het systeem verpest wel mijn leven. Iemand beslist over mijn leven.”

Wachtkamer

Dit verhaal heeft hij nog niet verteld, zegt Bathhoorn, die vooral heeft zitten luisteren en roken. Ze vraagt haar huisgenoten nooit naar hun ervaringen. Ze beginnen er maar over als ze het willen. Nu wordt ze bozig: „Het beleid is héél slecht. Of je helpt mensen, of je helpt ze niet. Maar je laat ze niet in de wachtkamer zitten als ze jong zijn. Dit zijn soms minderjarige jongens die naar school moeten om te leren. Je mag niet wonen, je mag niet werken, je mag niet bestaan.”

Dat er wordt geprotesteerd tegen asielzoekerscentra vindt ze ook heel erg, vertelt ze in één adem door. „Het gebeurt niet met ons, het gebeurt met hún. Zij zijn het slachtoffer. We moeten niet de boel om gaan draaien.” Bathoorn begrijpt niet dat mensen bang zijn voor vluchtelingen. „Dat gezeur over oorlogstrauma’s. Zijn alle mensen die de Tweede Wereldoorlog overleefden gek? Zijn die gevaarlijk en gestoord? Deze jongens zijn vaak juist veel wijzer dan wij.”

Bathoorn vertelt nu het ene schrijnende verhaal na het andere, soms vergeet ze een beetje adem te halen. Over die keer dat een Somalische vrouw bij haar aanbelde. Zes maanden zwanger en uitgeprocedeerd. Ze zwierf over straat. Toen ze veel te vroeg weeën kreeg, bracht Bathoorn haar naar een vriendin die vroedvrouw is. In haar huis beviel ze. „Je gaat bijna dood en niemand helpt je. Zo’n positie hebben vluchtelingen. Je bent nog minder dan een hond.”

De chihuahua, de nieuwste huisgenoot, vraagt om aandacht. Ze gaat steeds tegen de bank aan staan, met haar hoofd duwt ze tegen de knieën. De ogen van Bambi (7) staan gevaarlijk bol, in de karamelkleurige vacht zitten klitten. Bathoorn heeft haar vorige week gekocht op Marktplaats. „Heel egoïstisch hoor, dat ik haar heb gekocht.” De uitleg: „De vorige verzorgers konden niet meer voor Bambi zorgen maar niemand wilde haar hebben.” Ze vindt dat ze dit alleen maar voor zichzelf heeft gedaan, want Abdullah en Sharif schamen zich natuurlijk dood als ze dat beest uitlaten. De jongens hebben een paar jaar geleden een stoere, zwarte herderachtig hond van Bathoorn gekregen. Abdullah en Sharif hebben hem Bakhmal genoemd, dat betekent fluweel in hun taal.

Wie bij Bathoorn komt wonen, wordt familie. Zo ga je met elkaar om, is de regel in huis altijd geweest. Daar is weleens een beetje van afgeweken. Toen haar dochter, die nu 23 is, en Mohammed uit Somalië verliefd werden. „Hij ging heel vaak met haar mee naar sport. Aardig van hem, vond ik dat.” Op een dag kwam Bathoorn thuis en zaten ze samen heel knus op de bank. „Ze waren doodsbenauwd voor mijn reactie.” Niet veel later zijn ze getrouwd. „Nu is hij toch weer familie.” Boven de bank hangt een foto van het stel. Ze wonen in Duitsland, daar kon Mohammed gemakkelijker terecht.

Heeft ze wel eens overwogen om ermee te stoppen? „Ja. Dan ga ik lekker thuis zitten. Een beetje tekenen, ik ben naar de kunstacademie geweest. Doe ik net alsof de hele wereld niet bestaat”, zegt ze spottend. „Als ik naar het station ga en ik struikel over een meisje dat daar op straat ligt, want dat gebeurt hier in Emmen gewoon, hoe kan ik dan doorlopen en lekker naar mijn warme kachel gaan?”