Verzoek het Westen dan ook niet steeds om bijstand

Westerse landen, zo betoogde schrijfster Tahmina Akefi zaterdag in NRC, moeten hun drang om het Midden-Oosten democratie op te leggen beteugelen. „Een Amerikaanse militair in een tank die in hun land de baas speelt, is net zo ongewenst als een Arabier in een lange jurk en een kromzwaard in de hand in úw wijk”, schrijft ze.

Terecht is ze kritisch op de westerse interventies, maar ze laat ook een hoop feiten weg. Allereerst is het een mythe dat westerse landen zich zonder aanleiding in conflicten storten.

In de Libanese burgeroorlog (1975-1990) waren het de Libanese partijen die westerse landen om troepen vroegen. In Afghanistan waren het in de jaren tachtig eerst de moedjahedien en later in 2001 de Noordelijke Alliantie die westerse hulp wensten. In Irak lobbyden Koerden en shi’ieten al vóór 2003 bij de Amerikaanse regering om beëindiging van het regime-Saddam. En in Libië verzocht de oppositie tegen Gaddafi om westerse steun.

Ook in Syrië verzoeken strijdende partijen, tot op de dag van vandaag westerse landen om hulp, al dan niet in de vorm van wapens, een no-fly zone, bombardementen of een militaire interventie.

Een tweede aanname die nuance behoeft in het betoog van Akefi is de veelgehoorde stelling dat de Amerikaanse oorlog in Irak meer dan een miljoen levens heeft gekost en nog eens miljoenen mensen op de vlucht joeg. Dit klopt maar ten dele. Natuurlijk, zonder de invasie waren deze doden hoogstwaarschijnlijk niet gevallen. Maar het overgrote deel, zo blijkt uit de database van Iraq Body Count, is niet gevallen door acties van het Amerikaanse leger of de Iraakse overheid, maar dankzij soennitische en shi’itische milities die tegen elkaar streden. De etnische zuiveringen waren ook verantwoordelijk voor de vluchtelingenstroom. Indien de invasie niet had plaatsgevonden en het regime van Saddam tijdens de Arabische Lente ten val was gekomen, dan zouden er ook zeer veel doden zijn gevallen. De samenstelling van de Iraakse maatschappij vormde hier immers een voedingsbodem voor.

Akefi besluit haar stuk met positieve woorden over het communistische regime in Afghanistan, dat mede dankzij Amerikaanse inspanningen ten val kwam, en dat volgens haar juist een regime was dat ‘de boel bij elkaar hield’. Hierbij vergeet zij voor het gemak het feit dat dit regime vele tienduizenden doden op haar geweten heeft en verantwoordelijk was voor de systematisch onderdrukking van tegenstanders, waaronder veel vrome moslims.

Mede dankzij acties van het communistische regime kwamen de moedjahedien in Afghanistan in opstand en ontstond er burgeroorlog. Maar de echte aanleiding voor het conflict dat al sinds 1979 woedt, was de invasie van de Sovjet-Unie. En op wiens verzoek vielen de Sovjets Afghanistan binnen? Op verzoek van het communistische regime. Akefi zou er goed aan doen om tegelijk met haar kritiek op het Westen kritisch te kijken naar de samenlevingen in het Midden-Oosten. Het zijn keer op keer actoren uit deze regio die westerse landen om hulp vragen. De meeste doden en vluchtelingen zijn het slachtoffer van strijdende partijen, de dictatoriale regimes in de regio behoren tot de wreedste uit de moderne geschiedenis. Het fundamentele probleem is niet westerse bemoeienis, maar de samenlevingen in het Midden-Oosten zelf.