Kamasi Washington zorgt voor een sensatie

Kamasi Washington schitterde gisteravond in jazzclub Bird in Rotterdam. Foto Andreas Terlaak

Kreten van ongeloof en genot klinken als saxofonist Kamasi Washington steeds weer verder omhoog klimt en klimt in zijn solo’s. Een open benadering, een dwingende toon, een doorvoelde notenkeus in The Change of the Guard – de majestueuze opening van het album Epic dat dit jaar insloeg als een bom. Het publiek in de stijf uitverkochte Rotterdamse jazzclub Bird voelt het en joelt. Zodra Washington – een rijzige figuur met een voluptueuze afrocoupe en een Afrikaanse gewaad, een wijs en ouder ogende man dan de begin dertiger die hij is – het podium beklimt, hangt er een zinderende sfeer.

Wat een machtig grensoverschrijdend jazzalbum had de Amerikaanse tenorsaxofonist en bandleider Kamasi Washington in mei plots afgeleverd. Opvallend gekkenwerk was het: liefst drie uur muziek (zeventien composities) bevatte zijn Epic, een ambitieuze, weelderige en wat overdadige ode aan de spirituele jazz van in de eerste plaats John Coltrane. Met name diens A Love Supreme was goed bestudeerd, en daarnaast de muziek van vrijdenkers als Fela Kuti en Pharoah Sanders. Epic was, zoals de titel al zei, een zonder meer episch verslag van een droom in drie delen (The Plan, The Gloriuous Tale en The Historic Repetition) door een tienkoppige band, een koor en een 32-koppig orkest.

Onthaal

Opvallend was het brede onthaal ervan in zowel jazz- als popkringen. Dat lag mede aan het feit dat de saxofonist tevens naam maakte in rap en hiphop. Hij droeg bij aan de totstandkoming van Kendrick Lamars baanbrekende album To Pimp a Butterfly en werkt nauw samen met cutting edge danceproducer Flying Lotus.

Na tal van shows in Amerika is Washington zijn Europese tournee nu begonnen met vier shows in Nederland. Het leek een onmogelijke muzikale uitdaging, zonder het grote ensemble met de kenmerkende textuur van strijkers en diepte van menselijke stemmen. Maar met in totaal acht musici – twee drummers, een toetsenist, bassist, trombonist, zangeres, de saxofonist zelf, en zijn vader, jazzmusicus Rickey Washington, „die hem alles leerde” op dwarsfluit en sopraan – stond evengoed een solide band.

Washington buitte dit ensemble met vrienden uit zijn jeugd aan de westkust van Amerika goed uit en de muziek kwam ogenschijnlijk makkelijk. Smakelijk innemend deelde de bandleider hoe hij de drummers leerde kennen. Drummer Ronald Bruner jr schoot hem als driejarige al voorbij met zijn fabelachtige drumtechniek.

De dubbele drums leverden een moddervette, immer draaiende constante funkmotor waarover levendige jazz geblazen werd door de blazers. Toegankelijk feestelijke souljazz werd afgewisseld met vlagen van freejazz. Soms heerste de funk, mede door de versterkte contrabas met effecten. Zangeres Patrice Quinn was een ‘sfeer verhogend element’. Niet zozeer om haar aardige zang, die soms erg zacht stond afgesteld, maar vooral ook door haar onbevangen, bijna kinderlijk blije ontvangst van alle muziek.

Dit concert was een sensatie. Zo’n acht stukken, veelal afkomstig van Epic, werden breed uitgesponnen. Maar er was ook een ronkend funky bewerking van Oscar Pettifords Oscalypso. Deed het ertoe dat de lange gierende keytarsolo volstrekt overbodig was? Dat Washington zijn medespelers eigenlijk te veel speelruimte gaf? Dat The Magnificent Seven werd ingeleid door minder boeiende drumssolo’s? Ja, en ach. Je wilde vooral Washington horen in solo’s die allemaal uitblonken in spirituele zeggingskracht en vuur. Meeslepend en meevoerend was de nieuwe jazzster in zijn verhaal, met al zijn tussenliggende anekdotes toch lineair opbouwend naar extatische finales. Prachtig was het dat zelfs zijn vader, een kleine man naast de toeter van de honkende jazzreus, even ontroerd raakte door de solo van zijn eigen zoon.