Het draait altijd om de groove

Op zijn tweede album ‘Making Time’ geeft de Britse zanger Jamie Woon ‘soul’ een nieuw geluid.

Jamie Woon Foto Maurice Boyer

Halverwege het gesprek raakt Jamie Woon in verlegenheid. De 32-jarige zanger die in 2010 de Britse popmuziek verraste met zijn combinatie van soulvolle zang en subsonische soundscapes, kreeg de vraag of hij zich op het podium comfortabel voelt. „Nou...uhh.” Hij kijkt naar de punt van zijn schoen. „Ik ben niet het soort muzikant dat op het toneel pas ‘echt zichzelf’ kan zijn. Die mensen heb je. Maar ik kan moeilijk stoppen met denken.”

Jamie Woon zit op een rode bank in een Amsterdams hotel. Hij heeft een zwarte kuif, zwarte ogen, zwarte kleren. Woon is van Schots-Maleisische afkomst, maar groeide op in Londen. Hij praat bedachtzaam. „Live doe ik me soms beter voor dan ik ben. Omdat er bij een concert van alles tegelijk moet gebeuren.” Hij wijst richting een denkbeeldig publiek. „Er is een voorkant en een achterkant. Aan de voorkant moet het allemaal geolied lijken, want het publiek wil zich kunnen verliezen in de muziek. Maar aan de achterkant ben ik bezig om alle factoren die het een geslaagd concert maken, bij elkaar te brengen.” Woon maakt een grijpbeweging. „Er zijn veel losse elementen. Ik sta te zingen, speel gitaar en vraag me ondertussen af of de zangers elkaar kunnen horen, en de drumcomputer gelijk loopt met de drummer. Allemaal onzekerheden die me kunnen afleiden, maar het publiek mag dat niet merken. Daarom doe ik alsof ik alles onder controle heb.” Hij trekt een onbewogen gezicht. „Maar dat is niet zeker.”

In 2011 verscheen Woons debuut Mirrorwriting. Het was de tijd dat diepe bassen en dreigende elektronica in de mode waren, bij tijdgenoten als James Blake, The XX en Burial. Woons toegankelijke liedjes met duistere ondertoon, zoals Lady Luck en Night Air, werden destijds onderdeel van de ‘hype’, zegt hij. Hij zegt het niet met zoveel woorden, maar zo te horen vond hij de stroomversnelling geen onverdeeld genoegen.

Hij had tevoren nauwelijks nagedacht over de portee van zijn debuut, verontschuldigt hij zich nu. „Daarom was ik bij mijn tweede album behoedzamer.” Hij wilde zijn boodschap duidelijk verwoorden. Of eigenlijk: in klank vatten. „De liedjes zijn deze keer bedoeld als afspiegeling van mijn leven. Allebei moesten overzichtelijker worden: mijn leven en de muziek. Simpeler, soberder en intuïtiever. Ik heb onnodige ballast zoveel mogelijk overboord gezet.”

Het vorige week verschenen tweede album, Making Time, geeft een nieuwe invulling aan het begrip ‘soul’. Niet door elektronica de hoofdrol te geven, zoals tegenwoordig vaak gebeurt. Op Making Time klinkt Woon juist akoestischer dan eerst. Maar tussen de lange lijnen van viool, zoemende bassen en een koerend orgel construeert hij nog altijd doorkijkjes en vergezichten. Die ruimtelijkheid geeft zijn muziek een modern geluid. Met in het centrum van de aandacht Woons smekende, tastende stem die als een lichtbundel langs gevoelige plekken strijkt.

Op Making Time hoeven de melodieën niet direct doorgrond te worden. Het is de cadans die uitnodigend is. „Ik heb de eerste maanden besteed aan ritmetracks: van drum en basgitaar. Pas toen die klaar waren, schreef ik de nummers, op basis van de ritmes. Dat is een ongewone volgorde, maar de groove is voor mij het belangrijkst.” Dat hangt samen met de klank van zijn stem, zegt hij. „In de jaren negentig besloot ik voor het eerst dat ik muziek wilde maken. Toen stonden Oasis en Blur in de hitparades dus ik wilde rockzanger worden. Maar daarvoor was mijn stem te hoog. Die stem past beter bij pulserende ritmes, vandaar dat ik me nu laat leiden door de beat als motor voor mijn liedjes.”

Als kind zong hij altijd, samen met zijn moeder, de folkzangeres Mae McKenna. Zij leerde hem gitaar spelen en nam de jonge Woon mee naar haar studiosessies. De subtiele manier waarop hij nu de woorden over de muziek welft, leerde hij door het a capella zingen met zijn moeder, zegt hij.

Spiegelpaleis

In het begin van zijn carrière was het musiceren met elektronica, zoals op zijn eerste album, opwindend. „Het klonk fris en nieuw. Maar daarna bedacht ik dat ook oude instrumenten nieuw en vers kunnen klinken. Als je er op een inventieve manier mee omgaat. ” De nieuwe plaat heet Making Time, en dat ‘tijd maken’ kunnen we letterlijk nemen. Woon houdt van echo en ‘delay’, effectapparatuur waarmee geluiden worden herhaald tot er een spiegelpaleis van kaatsende klanken ontstaat. Op die manier lijkt de tijd te worden opgerekt.

Binnenkort gaat Woon op tournee. Hij wil dat het publiek weet wat het te wachten staat. Minder elektronica, meer akoestische instrumenten. Om de aanhang te informeren heeft hij filmpjes van zijn nieuwe band op YouTube gezet, en hij zal straks proberen een overtuigende showman te zijn. Hij wijst op zijn zwarte verwassen spijkerbroek. „Ik heb zelfs een blauwe mantel als podiumkostuum laten ontwerpen, zodat in ieder geval duidelijk is dat het om mij draait.”