En James Bond, is die nog echt? Nu weer wel

‘Echt’ is een troebele zaak. Jeroen Bosch. De gouden draak. Bond in Spectre.

Er komt een grote Jheronimus Boschtentoonstelling aan, in februari, in het Noordbrabants Museum. En eind november gaat op het documentaire-filmfestival IDFA een film over Bosch in première. Dus we konden erop wachten: Jeroen-Bosch-ontdekkingen, om de aandacht vast wat op te stoken. Vandaar dat er plotseling twee schilderijen zijn ontmaskerd als niet van hem zelf, de Zeven Hoofdzonden en de Kruisdraging van Christus.

Verbaast me niet. Ik hou van Bosch en zijn streken. Maar dat paneel met die hoofdzonden is een soort ganzenbord, zonder een spoor van Bosch’ composities, geniaal gistend met honderden creatuurtjes. En de koppen op die Kruisdraging zijn erg bot en mensenhatend voor een schilder die verder zo opgewekt het menselijk wezen tackelde – zoom in op het rechterpaneel van de Tuin der Lusten en verkneukel je over de blote schaatsertjes. Je kijkt de hel in maar je hebt geheid meteen een goed humeur.

Een inktschets voor die hel werd onverwachts weer wél aan Bosch toegeschreven. Waarom? In de Volkskrant mag Bosch-onderzoeker Matthijs Ilsink uitleggen hoe dat zit. Als kenner zag hij zich „bevestigd in het gevoel” dat hij keek naar een tekening van Bosch zelf. Vandaar. Er zijn ook technische bewijzen maar die lijken flinterdun. Ze zouden net zo goed het omgekeerde kunnen beduiden: dat een leerling van Bosch deze tekening maakte en dat Bosch zich zo aangesproken voelde dat hij de figuurtjes meenam op zijn hellepaneel.

Ik beweer niet dat het zo gegaan is. Net zo min verbeeld ik me dat het iets zegt dat ik denk dat die Kruisdraging te grof is om van Bosch te kunnen zijn en die Hoofdzonden te stijfjes. Maar ik beweer wel dat er een tekening ‘echt’ is verklaard omdat iemand, die van zichzelf beweert dat hij het kan weten, zich „bevestigd zag” in een gevoel.

Dat vind ik schattig. Die man is bezeten van Jeroen Bosch. Wat heet, hij is verliefd. Hij denkt: ik ken alle geheime plekjes, ik ken mijn geliefde door en door.

Is niet zo. Los daarvan, ‘echt’ ligt troebel.

De brute komedie De gouden draak van het Nationale Toneel draait om het personeel van een Chinees restaurant. Illegale immigranten. Bedienen ze dan spreken ze met een karikaturaal Chinees accent, miauwend, met de r als een dikke l. Dat vind ik flauw, tot ik begrijp dat het de perfecte dekmantel is voor de illegalen omdat de gasten van het restaurant dat belachelijke accent verwachten. Zo wordt niet echt wel echt.

En James Bond, is die nog echt? Ik zie Spectre, Bonds 24ste avontuur alweer, met Daniel Craig voor de vierde keer als 007. Bond verschiet van kleur met elke acteur die hem speelt en de ene keer is hij echter dan de andere. Sean Connery bepaalde de coördinaten, als sexy beast, die elke benarde situatie afblust met een doodgemoedereerde mop. Roger Moore voegde de gentleman toe. En na hem was het modderen.

Tot Daniel Craig. Die was eerst een spierstier, ik gaf hem al op. Tot Skyfall. Toen kwam het goed. En Spectre maakt het af. Daniel Craig schonk Bond het besef van de vorderende leeftijd. Daarom is zijn Bond een aandachtige minnaar, kijk maar hoe hij kust. Heel anders dan zijn voorgangers en toch is hij echt Bond. Wie bepaalt dat? Geen wetenschappelijke teams, maar het publiek. Wij zeggen: ja, zo is James Bond. Ik voel het.