Die clichés smaken helemaal nergens naar, Joël Broekaert

Vlees als luxe zien, daarmee red je dier en milieu niet. Vlees is als een telefoonboek: ooit dachten we dat ‘t onmisbaar was, stelt Anna Krijger.

Beeld Istock, beeldbewerking Fotodienst NRC

Dapper van restaurantrecensent Joël Broekaert om zo’n impopulair verhaal te brengen (nrc.next, 3 november). We eten veel te veel vlees, schrijft hij, waardoor we de aarde ongenadig veel schade toebrengen. Broekaert heeft volkomen gelijk wanneer hij ons erop wijst dat de vleesindustrie ontbossing, uitstoot van broeikasgassen, verontreiniging van water en aarde, en levensgevaarlijke epidemieën met zich meebrengt.

Kortom; de patiënt is doodziek en als we niets doen, dreigt hij te overlijden. De remedie van Broekaert luidt: minder vaak vlees eten en meer stukken eten van hetzelfde dier. Hiermee gedraagt hij zich als een dokter die de juiste diagnose stelt, maar vervolgens weigert adequate medicatie toe te dienen. De ultieme consequentie van het probleem dat hij zo terecht beschrijft, is natuurlijk: stoppen met vlees eten.

Maar minder vlees helpt toch ook al, zult u zeggen. Alle beetjes helpen, maar ook als we een stuk minder vlees gaan eten, kunnen we er nog steeds niet genoeg van produceren om de hele wereldbevolking te voeden zonder de aarde alsnog de vernieling in te helpen. Die vernieling, in de vorm van ernstige klimaatverandering zoals hevige regenval, komt overigens het hardste aan in gebieden als West-Afrika en het zuiden van Azië, die toch al gebukt gaan onder armoede. Als we alleen maar biologisch zouden eten, zou de aarde zelfs nóg slechter af zijn – een langer leven van een kip die meer ruimte heeft, kost nu eenmaal nog veel meer water en grondstoffen dan een plofkip. De vleesindustrie is schadelijker voor ons milieu dan alle auto’s, vliegtuigen en schepen bij elkaar.

Broekaert weet dit, en zegt zelf dat vlees eten „nergens voor nodig is”. Toch wil hij het niet laten staan, omdat vlees nu eenmaal onderdeel is „van het smaakspectrum dat deze wereld te bieden heeft”. Hoe zwaarwegend is dit argument? Je kunt jezelf er ook van weerhouden je eigen hond of kat op te eten, al maken zij in principe deel uit van datzelfde smaakspectrum. En dan te denken aan bedreigde diersoorten en ongedierte. Als je toch van het smaakspectrum aan het genieten bent, waarom dan zo selectief?

Als alternatieven voor vlees noemt Broekaert, ietwat badinerend, ,,een walnoot of wat lijnzaad”. Hiermee suggereert hij dat we voedingsstoffen tekort komen als we vleesloos zouden eten. Het tegendeel is het geval. Een vegetariër met een gevarieerd dieet heeft geen superfoods nodig om net zo gezond te eten als een carnivoor. Sterker nog, vegetariërs leven over het algemeen langer dan vleeseters, en doen dit ook nog in een slanker lichaam, met een lagere bloeddruk. Pas wanneer je geen of weinig eieren en zuivelproducten gebruikt, is het verstandig om vitamine B12 te slikken.

Door te beweren dat vegetariërs hun heil moeten zoeken bij een muffe walnoot of een schep lijnzaad, draagt Broekaert ook bij aan het stereotype beeld dat het seksloze tuinbroekdragers zijn die niet weten hoe ze van het leven moeten genieten. En is tofu, een populaire vleesvervanger, echt smaakloos, zoals hij beweert? Inderdaad, je moet tofu goed bereiden. Maar datzelfde geldt voor vlees. Ik neem aan dat Broekaert zijn kippendijen ook niet rauw en ongekruid oppeuzelt. Door met clichés over vegetariërs te strooien, zal Broekaert niemand ervan overtuigen (veel) minder vlees te eten. En dat was toch zijn doel?

Broekaert vergelijkt vlees met een fles rode wijn die je op speciale momenten opentrekt. Ik zou zeggen: vlees is als het telefoonboek; ooit dachten we dat het onmisbaar was, maar nu weten we wel beter. Er zijn immers genoeg alternatieven die een stuk minder belastend zijn voor het milieu. Geniet mateloos van uw vegan shoarma en plantaardige biefstuk. En trek er gerust nog een flesje wijn bij open. U zult geen vlees meer eten en de wereld zal u dankbaar zijn.