De kunstenaar die van putdeksels hield

Twee tentoonstellingen, in Delft en Schiedam, bieden een blik op leven en werk van de legendarische kunstenaar Jan Schoonhoven. Ze blijken vol verrassingen te zitten.

foto Caspari de Geus

Toen eind september 1967 vanuit Brazilië het nieuws tot Nederland doordrong dat de witte reliëfs van J.J. Schoonhoven op de Biënnale van São Paulo waren bekroond met de tweede prijs en een geldbedrag van 60 miljoen cruzeiros, zo’n 10.000 gulden, meldden zich verslaggevers op de werkplek van de kunstenaar, het hoofdkantoor van de PTT in Den Haag. Schoonhovens collega’s op de afdeling vastgoed maakten grappen – „Jan, je krijgt miljoenen” –, zijn afdelingschef stoorde zich aan het onaangekondigde bezoek en gaf ‘ambtenaar 18977’ later een berisping. De 53-jarige vrijetijdskunstenaar bleef rustig. Op de vraag van een verslaggever of hij de nieuwe Mondriaan was, antwoordde hij ontkennend: „Ik ben een ouwe Schoonhoven!”

Jan Schoonhoven (1914-1994) is een legendarische kunstenaar, wiens leven net zo tot de verbeelding spreekt als zijn minimalistische reliëfs van karton en papier-maché. Een bescheiden ambtenaar die met zijn in de avonduren vervaardigde kunst de wereld veroverde, maar zijn geboorteplaats Delft alleen verliet voor zijn kantoorbaan. Een communist die heel zijn leven woonde in een huis zonder koelkast en douche en die legendarische, door zijn vrouw Anita georganiseerde jazzconcerten financierde, zonder dat hij zelf om die muziek gaf. Een kunstenaar die hechtte aan orde en regelmaat, maar die zich in het openbaar tot tweemaal toe naakt liet beschilderen door de Japanse kunstenaar Yayoi Kusama en die zich kon verliezen in met jenever overgoten dranksessies. Over deze raadselachtige persoonlijkheid zou een biografie te schrijven zijn die weinig hoeft onder te doen voor de levensverhalen van Vincent van Gogh.

Steeds hogere prijzen

Twintig jaar na zijn dood is Schoonhoven groter dan ooit. Op veilingen brengen zijn reliëfs en tekeningen steeds hogere prijzen op, ook omdat David Zwirner, een van de belangrijkste kunsthandelaren ter wereld, Amerikaanse verzamelaars voor Schoonhoven weet te interesseren. Het regent ook (internationale) tentoonstellingen en publicaties.

De exposities die afgelopen weekeinde openden in Museum Prinsenhof in Delft en het Stedelijk Museum Schiedam zijn dus goed getimed. En ook voorbeeldig uitgevoerd, mede dankzij de begeleidende catalogi. Deze tentoonstellingen, de eerste grote overzichten in Nederland in twintig jaar, bevatten vele verrassingen, zelfs voor liefhebbers die denken vertrouwd te zijn met Schoonhovens oeuvre.

Museum Prinsenhof richt zich met Kijk, Jan Schoonhoven op zijn vroege, soms verrassend religieuze werk, en op Schoonhovens hechte band met de stad waar hij heel zijn leven woonde. Aandoenlijke vondst is het onlangs teruggevonden ‘Apostelhuis’, dat de kunstenaar in 1969 van karton en papier-maché maakte voor zijn zoon Jaap. Uit het dak van dit ‘poppenhuis’ zijn al een paar miniversies te knippen van de abstracte reliëfs waarmee Schoonhoven een paar jaar later furore begon te maken.

Die reliëfs waren vaak gebaseerd op luchtroosters, putdeksels en architectonische details in de Delftse binnenstad. Ruim aandacht is er, vooral in de catalogus, voor de foto’s van deze inspiratiebronnen die Truus Nienhuis, de echtgenote van kunstenaar Henk Peeters, op verzoek van Schoonhoven maakte.

Frappant zijn de foto’s van een hardstenen stoep langs de Oude Delft, met het restant van een afgebroken paaltje dat de kunstenaar vele jaren had gekoesterd. Het schuine breukvlak interesseerde hem al even zeer. Op zijn wandelingen door de stad verwijderde Schoonhoven met een van huis meegenomen vegertje regelmatig het vuil en het onkruid uit het gat. De schuine hoek van de breuk keerde terug in diverse reliëfs. Zo moest het volgens Zero en nul, de kunstenaarsbewegingen uit de jaren zestig waarvan Schoonhoven deel uitmaakte: kunst waarin de hand van de kunstenaar onzichtbaar was, die niet van emoties getuigde zoals de Cobrakunst, maar die slechts diende om de realiteit op meer intensieve wijze te tonen.

Op de expositie in Delft is ook aandacht voor de licht- en schaduwwerking bij Schoonhoven. Een student van de TU Delft bouwde een daglichtsimulator, een kamertje waarin de lichtval op een reliëf in een kort tijdsbestek sterk verandert. Die snelle wisselingen maken van het reliëf een videokunstwerk met vele gezichten. Alsof daarmee het punt niet is gemaakt, heeft de Prinsenhof de belichting op acht grote reliëfs elders in de expositie ook variabel gemaakt – een discutabele keuze.

Tweetrapsraket

De tentoonstelling in Schiedam, De werkelijkheid van Jan Schoonhoven, is een tweetrapsraket. Eerst krijgt de bezoeker een omvangrijk, chronologisch gepresenteerd overzicht van Schoonhovens reliëfs, gecombineerd met het werk van tijdgenoten. Op de zolder van het museum eindigt de tentoonstelling met een tweede overzicht met tachtig tekeningen, die het oeuvre nogmaals samenvatten.

In Schiedam is goed te zien hoe Schoonhovens ‘dikke schilderijen’, zoals hij ze zelf noemde, zich ontwikkelden. Halverwege de jaren vijftig waren ze nog roodbruin of grijs, met ritmische patronen waarin zich een beeldend motief herhaalde. Maar de witte werken van de Italiaanse kunstenaar Piero Manzoni, die eind jaren vijftig in Nederland exposeerde, leidden Schoonhoven naar zijn bekende witte rasterreliëfs, die de daaropvolgende decennia de basis vormden voor zijn artistieke productie. Wit sloot beter aan bij zijn verlangen om nog minder aanwezig te zijn in het kunstwerk.

Ook de expositie in Schiedam weet te ontroeren. Zoals de kunstenaar met jenever kon ontsnappen aan de ijzeren regelmaat in zijn dagelijkse leven, zo liet hij ook het systematische karakter van zijn werk soms even los. Tussen alle tekeningen met streepjes en krassen hangen bijvoorbeeld vier Delftse kerkinterieurs uit de jaren tachtig, op het kitscherige af en gekleurd met pasteltinten. Over dit soort uitstapjes zei hij in 1984 in een interview met deze krant: „Zelf ben ik onzeker over dat werk, het is wel aardig maar naast de rest valt het een beetje uit de toon. Als ik het te veel maak ga ik er, denk ik, van over mijn nek.”

Aangrijpend zijn de allerlaatste reliëfs, gemaakt in 1991. Van tienduizenden kartonnen driehoekjes met een dikte van 1,1 millimeter liet hij zijn vaste assistent werken maken met verticale ribben. Monnikenwerk om al die stukjes karton op elkaar te plakken. Maar het resultaat mag er zijn: door kleine onregelmatigheden bibbert het licht langs de wit geschilderde ribben. Een wondermooie zwanenzang van een groot kunstenaar.