Voor een onthoofde koning

Beethoven noemde hem herhaaldelijk de beste levende componist. Ook Robert Schumann en Hector Berlioz hadden hem hoog zitten. Luigi Cherubini (1760-1842) was een grootheid. In de late achttiende eeuw was er haast niemand die in zijn opera’s de donkere kant van de menselijke emotie zo radicaal uitbuitte.

Maar wie kent hem nu? Wie het Concertgebouw in Amsterdam bezoekt, wordt nog met zijn naam geconfronteerd – Cherubini heeft een eigen cartouche, een versierde naamplaat. Daar houdt het dan ook wel op met de eer. Cherubini kwijnt weg in het depot van vergeten componisten.

Eén van zijn stukken is nog wel eens te horen, zijn Requiem in c-klein. Al legt dat stuk het in populariteit af tegen die veel beroemdere requiems: die van Mozart, het Duitstalige quasirequiem van Brahms, Gabriel Faurés troostrijke zetting van de mis voor de doden en de theatrale Messa da Requiem van Verdi. Beethoven heeft die requiems van Verdi, Brahms en Fauré natuurlijk niet gekend. Maar wat klonk er bij zijn eigen begrafenis? Niet Mozart. Cherubini.

Luigi Cherubini kwam uit Florence, maar werkte het grootste deel van zijn leven in Frankrijk. Hij had succes in Parijs en wist zich staande te houden in de jaren van de revolutie. Het Requiem dateert van na die tijd. Het werd in 1815 aangevraagd door Lodewijk XVIII, die de Franse troon overnam nadat Napoleon was verslagen. Reden van de bestelling was de herdenking van de dood van Lodewijks broer, koning Lodewijk XVI, die in 1793 met zijn vrouw Marie Antoinette door de guillotine was onthoofd.

In 1796 had Cherubini nog muziek gedirigeerd om te vieren dat het koningspaar drie jaar dood was. 21 jaar later dirigeerde hij zijn dodenmis in de crypte van de kathedraal in Saint-Denis waar het onthoofde paar was bijgezet.

Het Dies irae – het deel waarin de dag des oordeels wordt aangekondigd – begint met een harde gongslag, een ongebruikelijk effect. Met de kennis over de gelegenheid is het verleidelijk in de gongslag het vallende mes van de guillotine te horen. Maar op dat Dies irae na is het een heel genadevol, zachtaardig requiem. Vergeleken bij Cherubini is het Mozart-requiem een stuk van onbestemde duisternis. Nog iets waarmee het zich onderscheid: in tegenstelling tot de andere genoemde requiems is er geen afwisseling tussen koor en solisten. De hoofdrol ligt volledig bij het koor.

Een paar favoriete stukken dan: de uitgelaten fuga (de vorm waarin een muzikaal thema door één stem wordt ingezet en door andere stemmen wordt gekopieerd) op Quam olim abrahae en het bitterzoete Pie Jesu. Zondagochtend voert het Groot Omroepkoor het uit in het Concertgebouw. Ook te horen op Radio 4. Luister, want Cherubini verdient het om te worden gehoord.