Toezicht blijkt de sluitpost in de vrije markt

Het wanbeleid bij Meavita toont de schaduwkanten van een overheid die uitbesteedt.

Loek Hermans kondigde maandag zijn vertrek aan als VVD-fractievoozitter in de Eerste Kamer. Foto David van Dam

Honderd procent inzet en niet iets wat je er even bij doet. Dat was de boodschap van de FNV na het vernietigende oordeel van de Ondernemingskamer over het toezicht op zorginstelling Meavita – een zaak die de vakbond had aangebracht.

De uitspraak komt een week nadat het Openbaar Ministerie drie jaar cel heeft geëist tegen Hubert Möllenkamp, de in 2009 ontslagen topman van woningcorporatie Rochdale. De aanklacht: meineed, witwassen en belastingfraude.

Waar was het toezicht? Diezelfde vraag werd gesteld bij woningcorporatie Vestia en tal van zorg- en onderwijsinstellingen die de afgelopen jaren wankelden onder hun eigen megalomanie.

Nederland was er vorige week vol van dat het twee panda’s van China te leen krijgt, maar het heeft te weinig oog voor een oprukkende inheemse diersoort: de quango. Deze ‘quasi-autonome non-gouvernementele organisaties’ waren er altijd al – denk aan de Waterschappen. Maar sinds de privatiserings- en liberaliseringsgolf van de jaren 90 hebben ze zich snel vermenigvuldigd. Zorg, onderwijs, woningbouw, openbaar vervoer en andere voormalige nutstaken werden afgesplitst van de overheid en moesten de markt op. Dat bracht voordelen, maar langzamerhand openbaren zich ook de schaduwkanten van ondernemingen die opereren in het schemergebied tussen staat en markt. Hun verantwoordelijkheden zijn onduidelijk verdeeld tussen overheid en markt. Het Fyra-debacle waarover de parlementaire enquêtecommissie vorige week rapporteerde, een dag na de strafeis tegen Möllenkamp, is er een voorbeeld van. Als het misgaat, draait de samenleving er links- of rechtsom voor op. Want de nutstaak (wonen, leren, genezen, verzorgen of treinen) moet intussen wel doorgaan.

Vrijheidsgolf bracht vele voordelen

Zonder al te veel fantasie zijn zelfs banken deels als quango te typeren. Zij ondernemen terwijl zij een onontbeerlijke nutstaak (het geldverkeer) hebben. Ze moesten dan ook worden gesteund toen zij zeven jaar geleden dreigden om te vallen. Zoals ING, dat voortkomt uit de Rijkspostspaarbank en de Postcheque- en Girodienst – twee overheidstaken die in 1986 samen als Postbank de markt op werden geduwd.

Twee banken werden na de financiële crisis van 2008 zelfs genationaliseerd: SNS en ABN Amro, dat zijn wortels heeft in de staatsonderneming Nederlandsche Handelsmaatschappij van Koning Willem I, en nu onder de vierde koning van die naam weer even is teruggekeerd in de schoot van de staat.

Veel van de instellingen en ondernemingen die nu in een kwaad daglicht staan zijn het resultaat van de tijdgeest van de tweede helft van de jaren 80 en de jaren 90. Alles moest de markt op, de overheid kon beter terugtreden en dereguleren en liberaliseren.

De vraag is nu of die tijdgeest keert. Net zoals het enthousiasme over globalisering en internationale en Europese integratie zienderogen afneemt, lijkt ook de vrije markt als geheel zijn aantrekkingskracht te verliezen. Dat zou te betreuren zijn: de vrijheidsgolf van de jaren 90 heeft grote welvaartsvoordelen gebracht. Maar wat vergeten werd, is dat vrijheid en toezicht hand in hand gaan. Bij een basisschool waar de leerlingen in het speelkwartier in rotten van drie over het plein marcheren is de supervisie van één juf of meester genoeg. Als iedereen in een prettige wanorde zijn eigen gang mag gaan, zijn er drie of vier nodig.

De komst van de toezichtsindustrie

Intussen is er dan ook, door schade en schande, een ware toezichtsindustrie gegroeid. Instellingen als de Autoriteit Financiële Markten, de Autoriteit Consument en Markt, de Nederlandse Zorgautoriteit en De Nederlandsche Bank groeien als kool. Accountants worden (soms hardhandig) herinnerd aan hun toezichtstaak. Commissarissen en andere toezichthouders liggen onder vuur.

Toezicht kost geld. Meer dan in de jaren 90 werd gedacht. Het kost tijd voordat dit ook tot de nieuwe quango’s is doorgedrongen. Als een commissaris of lid van een raad van toezicht deze taak er niet ‘een beetje bij kan doen’, vraagt dat om twee veranderingen. De eerste is: meer uren. En meer uren kosten meer geld. De tweede verandering is professionalisering. Misschien ligt de tijd achter ons dat connecties in politiek Den Haag belangrijker worden gevonden dan ervaring in de branche en diepgaande kennis van zaken. Maar een professionele toezichthouder zal ongetwijfeld een hoger tarief hebben dan een Haagse banenverzamelaar.

Dat is de belangrijkste les van Meavita: het toezicht kan niet langer een sluitpost zijn. De overeenkomst tussen een quango met de panda? Nadat het eerste enthousiasme is weggestorven, blijkt het onderhoud toch behoorlijk prijzig uit te vallen.