Column

Natuur met kind

Ik kende de natuur vooral vanaf de fiets, maar vanwege de baby gingen we er voor het eerst met de (huur)auto naartoe. Naar de Posbank bij Rheden. Toen we het bos in reden, kwam het besef dat het hier op mooie zondagmiddagen hemel en hel tegelijkertijd was. Prachtig die bomen, kut die file. Stapvoets ging het richting het eerste parkeerterrein, waar pubers in groene hesjes vroegen wat of we kwamen doen.

„Wandelen!” zei ik.

Parkeren mocht alleen als we wat nuttigden bij restaurant De Ruif. Gedoe: kinderwagen uit de auto; kinderwagen in elkaar zetten; kind in de kinderwagen krijgen. In De Ruif dirigeerde een ober ons vanwege een huilend kind met zachte dwang richting serre, waar er meer zaten met huilers. Er zaten ook mensen met het syndroom van Down, eentje was agressief tegen een begeleider, dat zag je in dat programma van Johnny de Mol nou nooit. Dit was geen plek om te genieten, eerder een afwerkplek. De uiensoep was na een paar lepels verdwenen, weggehaald toen we even niet keken. Een serveerster stak haar hoofd in onze kinderwagen.

„Sssst”, zei ze.

Het was te ver om naar het uitkijkpunt op de hei te lopen. Weer dat gedoe: kinderwagen demonteren, kinderwagen in achterbak proppen, dan opnieuw de file in. Ik achterstevoren zittend om de blauw-groene speen erin te houden.

Bij het uitkijkpunt cirkelden we over de parkeerplaats. Buiten scheen de herfstzon over de purperen hei, in de Toyota Starlet steeg de temperatuur.

Ze had haar speentje uitgespuugd, ze schreeuwde. We, ik eigenlijk, waren vergeten luiers mee te nemen. Ik wist heus wel wat er met me zou gebeuren als ze onverhoopt zou gaan poepen.

Er stapten mensen in een geparkeerde auto. Hele rustige mensen, van het soort dat voor het weg rijden op het gemak zand uit de bergschoenen klopte.

„Een gat! Wachten!” commandeerde ik de vriendin, die vond dat ik dat speentje moest vinden. We veroorzaakten een opstopping. Achter ons toeterden ze, we kregen een middelvinger.

Dan: de natuur in. De paadjes over de heide waren te smal. Ik duwde toch door, nu gingen we genieten ook. Een voorwieltje reed zich vast in een struik.

In het bos waren de paden breder, maar wel van zand. Na het probleem ‘beest in de kar’ (een insect), volgde het probleem ‘beest rondom de kar’, want De Posbank is een van die stukjes natuur waar ze wilde koeien – ‘Schotse Hooglanders’ – hebben losgelaten.

Voor ons stond een enorme koe met haar jong, de kop schurend tegen de kinderwagen. Jammer dat de batterij van de iPhone leeg was. Voor de herinnering maakte het niet uit: vergeten zouden we deze dag in de natuur toch niet.