Vroege vorst

Schrijfster Pia de Jong is met haar gezin verhuisd van Amsterdam naar Princeton, in de VS. Ze schrijft wekelijks over wat haar daar opvalt.

Illustratie Eliane Gerrits

Het is een van die herfstdagen waarop het zo warm is dat het lijkt of de jaargetijden zich vergissen. Ik strijk neer op een bankje op het stadspleintje voor de bibliotheek. Ik voel me loom worden in de zon. Indian summer. Ik kan me voorstellen dat de eerste kolonisten uit Europa destijds opnieuw gewassen gingen planten om kort daarna onaangenaam verrast te worden door de kou. Nee, winter wordt het snel en hoe. Maar nu geniet ik van de zon op mijn blote armen.

Er komt een oudere man met een knapzak aanlopen, een eenzelvig type, heel anders dan de keurige dames en heren die je hier meestal ziet. Zijn haar is lang en sliertig, en hij draagt iets wat nog het meest doet denken aan een pyjama.

Op zijn dooie akkertje maakt hij zijn knapzak open en begint de inhoud uit te stallen op een tafel. Een sandwich, een halfleeg flesje sinaasappelsap. Een teddybeer. Dan komt er een boombox tevoorschijn die hij midden op de tafel zet.

Hij draait wat aan de knoppen, en begint dan midden op het plein te dansen. Zijn armen en benen lijken los van elkaar te bewegen, als een marionettenpop.

Na een minuut of vijf komt een groepje schoolmeisjes uit de bibliotheek lopen. Ze zijn allemaal zo rond de dertien. Meteen komen ze op de muziek af. De kinderen gaan om de man heen staan en een van de meisjes probeert zijn aandacht te trekken. „Battle”, roept ze uit. Als hij niet reageert, gaat ze tegenover hem staan en doet hem na. Dezelfde danspassen, in dezelfde volgorde.

Ze heeft er zoveel plezier in dat het aanstekelijk werkt. De andere kinderen beginnen eerst wat schoorvoetend, maar steeds enthousiaster mee te dansen.

Binnen de kortste keren swingt het pleintje en krijg ik zin om mee te doen.

Dan komt er een vrouw van een jaar of vijftig naast me zitten. Ze beweegt houterig en haar mond is een smalle streep.

„Doodeng, vind je niet?”, zegt ze, terwijl ze met een benige vinger naar het tafereel voor ons wijst. „Maar we kunnen niet ingrijpen. Dit is zijn recht, het staat in het Eerste Amendement.”

„Pardon?”, zeg ik.

„De keerzijde van de vrijheid die we hier zo hoog in het vaandel dragen”, vervolgt ze. „Deze man heeft het recht hier te zijn, het recht zich uit te drukken zoals hij wil.”

„Maar er gebeurt toch niks?”, zeg ik.

„Het is op de grens”, antwoordt ze. „Die man geeft me een ongemakkelijk gevoel. En dan die kinderen zo dicht in zijn buurt.”

„Maar we zijn er toch bij”, zeg ik. „Het is klaarlichte dag.”

„Het was ook klaarlichte dag in Newtown, toen die kinderen werden vermoord”, antwoordt ze met een schraperige stem. „Ik woonde daar, vlak bij die school. Elke dag reed ik er langs. Maar ik kon er niet meer tegen. Daarom verhuisde ik naar Princeton, omdat ik dacht dat dit een veilige stad was. En nu dit.”

Haar handen trillen.

„Je ziet het nooit aankomen”, zegt ze. „Hij kan een pistool uit zijn tas halen, zomaar opeens.” Het meisje daagt de man uit. „Battle, battle”, gilt ze. De man danst als een vogelverschrikker die kraaien uit de lucht probeert te grijpen. Een moeder met een kinderwagen loopt dwars door de groep rondtollende kinderen. De zon schroeit mijn huid, en toch heb ik kippenvel. Ik kijk naar de knapzak.

Als ik me omdraai, is de vrouw uit Newtown verdwenen.