Vader verstopte de onderduikers achter het orgel

De vader van Gert Brillenburg Wurth verstopte in de oorlog Joodse onderduikers in zijn kerk. Een voorbeeld, noemde burgemeester Ahmed Aboutaleb hem onlangs in een essay.

Gert Brillenburg Wurth, vernoemd naar zijn vader, wordt volgende maand 86, maar hij herinnert zich de oorlog nog levendig.

Gert Brillenburg Wurth wordt volgende maand 86 jaar, en hij was vijftien toen de oorlog afliep. Ook al toen, krap een maand eerder, de Duitsers met veel soldaten de Rotterdamse Breepleinkerk overvielen waar zijn vader dominee was. Ze waren op zoek naar wapens, iemand uit het verzet had gepraat.

Brillenburg zag ze door het raam van zijn kamer aankomen, over de daken, door de goten, schreeuwend bij de deur van de domineeswoning waar hij woonde. De soldaten drongen het huis binnen, en hij moest met een geweer in zijn rug de zijdeur naar de kerk openmaken. Hij moest ook mee naar binnen, de kelder in, op zoek naar de wapens.

„Ik liep zo door de kerk”, zegt de onberispelijk in het pak gestoken Brillenburg, terwijl hij beide handen omhoog steekt. De Duitsers vonden geen wapens, en ze hebben als door een wonder ook de zes onderduikers niet gevonden die in geheime ruimtes achter het kerkorgel zaten.

Zijn ogen laten hem in de steek, en hij heeft soms moeite om op namen te komen, maar Gert Brillenburg herinnert zich de oorlog in levendig detail. Inclusief de periode dat in de gereformeerde kerk van zijn vader zes joodse onderduikers verborgen zaten. Drie echtparen hebben daar 34 maanden lang overleefd op twee kleine, kale zolderruimtes van tweeënhalf bij drie meter.

De vrij onbekende Rotterdamse onderduikgeschiedenis van de Breepleinkerk kwam vorige maand ineens in het nieuws. De Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb had het verhaal tot uitgangspunt genomen van zijn essay voor de maand van de geschiedenis, Droom en Daad. Volgens Aboutaleb kunnen we veel leren van de onderduikers en van degenen die ze hebben geholpen. „Zij deden wat er op hun pad kwam en ze liepen er niet voor weg.”

De „deugden” die zij daarin toonden, zoals moed, tolerantie, onderling vertrouwen en discipline, zijn aan te leren, betoogt Aboutaleb aan de hand van filosofen en historische voorbeelden. Volgens hem zijn het belangrijke, of zelfs noodzakelijke eigenschappen in dit tijdsgewricht.

Mijn vader hielp de hongerigen

Brillenburg wist aanvankelijk niet dat er onderduikers zaten in de kerk. Wel wist hij dat zijn vader, dominee Gert Brillenburg Wurth, op allerlei manieren mensen van zijn gemeente hielp. „Er waren ook voor de oorlog al, in de crisistijd, heel veel mensen die geen geld hadden om te eten. Ik heb mensen van de honger zien sterven op straat. Mijn vader heeft zich altijd voor hen ingezet. Hij stond om 6 uur op om te studeren, en vanaf 8 uur kwamen er mensen langs. Om te praten over hun zorgen, en om hulp te vragen. Hij deed wat hij kon.”

Een dag na de inval van Duitsland werd de kerk al ingezet als noodhospitaal, onder leiding van een vriendin van de moeder van Brillenburg, die net als zij verpleegster was. „Er lagen vijftig gewonde mensen in de kerk, en ook een stuk of tien gewonde Duitsers”, zegt Brillenburg, die vaak met zijn autootjes speelde in de kerk of er een trein legde. „Een paar dagen daarna hebben ze Rotterdam kapotgegooid.”

Zijn vader ging na het bombardement op de fiets naar het centrum. Om poolshoogte te nemen, en om bijstand te verlenen in het grote ziekenhuis. „Toen hij daarna terugkwam, heb ik mijn vader voor het eerst zien huilen.”

De bezetter wilde van hem af

Door zijn werk kwam zijn vader in het vizier van de bezetter. In de zomer van 1942 is hij samen met honderden anderen opgepakt en naar kamp Haren gebracht, waar hij zeven maanden heeft vastgezeten. „Hij was een kerkelijk opinieleider, en de bezetter wilde van de lastpakken af toen er steeds meer maatregelen werden doorgevoerd, vooral ook tegen de Joden.” Vijf van deze gijzelaars zijn geëxecuteerd. „Dat was thuis een spannende tijd.”

Brillenburg herinnert zich dat hij met een kist sigaren naar het hoofdkwartier van de Duitsers werd gestuurd. Hij was toen 12. Dat hadden de neven van zijn moeder uit Wageningen geregeld. „Ich bin von Herrn […] bestellt”, moest hij zeggen bij de poort. De naam is hij vergeten („het was de hoogste mof van Rotterdam”), maar hij ziet de Duitse bevelhebber, die hem in zijn kamer ontving, nog zó voor zich. „Als een vriendelijke oudere oom boog hij zich over me heen, en nam de kist van me aan.” Brillenburg is even stil. Deze herinnering was lang verdwenen, zegt hij, zelf licht verbaasd. „Dit heb ik nog nooit aan iemand verteld.” Een paar maanden later werd zijn vader vrijgelaten.

In het voorjaar van ’43 vroeg de apotheker aan de overkant, Jacques Wolf, of dominee Brillenburg ’s avonds langs wilde komen. Een bevriend joods apothekersechtpaar, Fifi en Chaïm de Zoete, zat klem. Ze hadden hun drie dochters ergens ondergebracht, maar zij konden nergens heen. Misschien in de kerk, dacht apotheker Wolf, die de reputatie van Brillenburg kende. Die wilde wel, maar moest dat ook bespreken met de koster van de kerk De Mars. „Dat waren twee totaal verschillende mannen”, zegt Brillenburg. „De ene werkte met zijn hoofd, de ander met zijn handen. Maar ze hebben samen wel het een en ander meegemaakt.”

De Mars had een verrassing voor de dominee. „‘Ik heb al een half jaar vier mensen in de kerk’, zei hij tegen mijn vader.” Al sinds de late zomer van ’42 zaten achter het orgel het jonge echtpaar Rebecca en Maurice Kool, en zijn ouders, Meijer Kool en Ida Groenteman. De Mars, een voormalig timmerman, had een luik in het plafond van de krappe kamer achter het orgel gemaakt, waardoor de onderduikers met een ladder in de kleine zolderruimte daarboven konden komen. Kaal, 2,5 bij 3 meter, met één bed, een lampje, en een emmer als wc. Overdag konden de vier soms binnendoor naar de kosterswoning, maar alleen als er niemand anders in de kerk of de woning was.

Moeder gaf ze elke dag te eten

De Mars heeft toen eenzelfde luik gemaakt in de symmetrische ruimte aan de andere kant, links achter het orgel, voor het echtpaar De Zoete. Zij konden niet naar de domineeswoning, omdat ze dan buitenom moesten. „Dat is heel zwaar geweest voor ze, vooral voor Fifi.” Het was in de winter steenkoud en in de zomer heet, in de ruimte onder het dak.

Brillenburg kwam er achter wat er aan de hand was, al was het maar omdat zijn moeder elke dag eten naar de kerk bracht. „Het zong ook rond in de buurt. We zijn door de politie gewaarschuwd dat een achterbuurman mijn moeder elke dag met tassen de kerk binnen zag gaan.” Maar hij heeft pas na de oorlog gehoord dat het meisje dat soms kwam spelen, en met wie hij steeds de tuin in moest – „‘ga anders met de kippen spelen’, zei mijn moeder” – een van de dochters van De Zoete was, Hadassah. „Later hoorde ik dat ze dan huilend door een raampje naar haar stonden te kijken.”

Daarna ging Brillenburg wel eens met zijn vader mee, als die De Zoete en de andere vluchtelingen opzocht in de kleine psalmenkamer achter het orgel. Om met hen te praten, en hen moed in te spreken. In die kamer zat Chaïm de Zoete overdag ook vaak te lezen, maar alleen als er niemand in de kerk was.

Ze hadden wapens in de kerk

Ook is hij mee geweest met een vriend van de familie die iedere week eten ging halen bij een boer in de Hoeksche Waard. Dat werd naar het portaal van de kerk gebracht, en van daaruit verder verspreid. „Toen ik daar zat, kwam de Duitser langs die ons door de versperringen liet, met zijn jonge vriendin. De boer zei tegen hem: het duurt nog maar even, dan ga jij eraan. Die boer was van niemand bang.”

Er waren wel wapens geweest, in de kerk. Koster De Mars was actief in het verzet – er had ook een tijd een drukpers achter het orgel gestaan. Maar toen de Duitsers half april ’45 binnenvielen, waren die wapens al weggehaald.

De onderduikers konden ternauwernood van de kosterswoning naar de zolder komen, en ook De Zoete was seconden verwijderd van ontdekking toen hij van de orgelkamer de zolder op vluchtte. De Duitsers waren maar een meter van de onderduikers verwijderd, gescheiden door een dun houten plafond, maar ze hebben hen niet ontdekt.

Of hij trots is op zijn vader, die samen met de anderen in deze onderduikgeschiedenis door Aboutaleb als voorbeeld wordt gesteld? „Nee. Wij zijn niet trots”, zegt Gert Brillenburg Wurth. „Mijn vader was een prima man. Dan doe je dat gewoon.”