Column

Turkse keuze voor stabiliteit is met Erdogan juist riskant

Turkije staat er aanzienlijk slechter voor dan nog maar vijf maanden geleden. Het land is dieper verdeeld. De angst voor geweld is toegenomen door terreuraanslagen die vele tientallen levens hebben geëist. De oorlog tegen de Koerdische guerrillabeweging PKK is opgelaaid. En het politieke klimaat is bijzonder guur geworden, door systematische intimidatie en repressie van politici van de oppositie, advocaten en journalisten.

Begin juni maakten de Turkse kiezers nog duidelijk dat zij niet wilden dat Turkije zich zou ontwikkelen tot een autoritaire eenpartijstaat, met aan het hoofd een almachtige president Erdogan. Bij de parlementsverkiezingen verloor zijn AK-partij toen haar absolute meerderheid. De partij was nog steeds de grootste, maar moest een coalitie vormen om door te kunnen regeren. Dat was de uitkomst van het democratische proces.

Maar Erdogan was niet van plan om de macht te delen. De onderhandelingen over een coalitie kwamen niet van de grond, zodat de president nieuwe parlementsverkiezingen kon uitschrijven. En zo heeft hij zondag alsnog zijn zin en zijn absolute meerderheid gekregen.

Als we ervan uit kunnen gaan dat de verkiezingen eerlijk zijn verlopen, dan hebben de meeste Turken deze keer geen bedenkingen meer tegen de alleenheerschappij van Erdogan en de autoritaire manier waarop hij die uitoefent. Tegen de achtergrond van de onrust en het geweld van de afgelopen tijd, hebben ze de sterke man die ze kennen verkozen boven de onzekerheid van een coalitie.

Een riskante keuze die is te betreuren. Erdogan zegt dat hij en zijn partij het best in staat zijn om Turkije de stabiliteit en rust te bieden waar het zo’n behoefte aan heeft. Maar het is sterk de vraag of hij dat kan, en zelfs of hij dat wil. Na aanvankelijke successen heeft Erdogan zich de afgelopen jaren, zowel in zijn binnenlandse als zijn buitenlandse politiek, een grillige leider getoond. Een onverdraagzame man die zich weinig gelegen laat liggen aan de rechtsstaat, die Turkije internationaal in problemen brengt en in eigen land eerder verdeeldheid zaait dan verzoening bewerkstelligt. Terwijl verzoening, of op zijn minst respect voor politieke en etnische verschillen, juist een voorwaarde is voor een stabiel Turkije.

Het hangt nu meer dan ooit van Erdogan af hoe Turkije zich verder ontwikkelt. Als president heeft hij eigenlijk vooral een ceremoniële rol, maar in de praktijk trekt hij zich van die beperking maar weinig aan. Nu wil hij dat de Grondwet daaraan wordt aangepast en zijn land een presidentieel systeem krijgt. Als dat ervan komt, is er in Turkije nóg minder ruimte voor tegenwicht.