Iedereen was bang voor Van Oorschot

Waarom debuteerden Harry Mulisch, Hugo Claus, Jan Wolkers en A.F.Th van der Heijden niet bij Geert van Oorschot? Het is te lezen in een biografie die morgen verschijnt.

Geert van Oorschot (1909-1987)

De legendarische uitgever Geert van Oorschot (1909-1987) was een man tegen wie bijna niemand nee durfde te zeggen – en zeker niet in zijn gezicht. Een schrijver uitgeven was voor Van Oorschot veel méér dan een zakelijke aangelegenheid – het was een kwestie van vriendschap en solidariteit. Zijn auteurs wierf hij niet vanachter zijn bureau, maar buiten kantooruren, ver buiten kantooruren: de basis van uitgeverij Van Oorschot werd gelegd tijdens eindeloze praat- en drinkavonden bij hem thuis aan de Herengracht. Dáár bond hij auteurs als Gerard Reve en W.F. Hermans aan zich, auteurs die zich onder zijn hoede zouden ontwikkelen tot bestsellerschrijvers – en vervolgens ruzie met hem kregen over precies dat geld.

Twee van de Grote Drie is geen slechte score. Maar veel minder bekend is dat Van Oorschot ook op een haar na de uitgever werd van de Derde Grote, terwijl ook Hugo Claus, Jan Wolkers en A.F.Th van der Heijden vlak langs een debuut bij Van Oorschot scheerden. Zo valt in het archief van Van Oorschot te lezen hoe hij in de zomer van 1951 een manuscript bij de post vond. Het was een merkwaardig eenvoudig boek, maar Van Oorschot was gegrepen door het begin. Dus stuurde hij de schrijver – een 23-jarige jongeman uit Haarlem – meteen een kaartje met complimenten. Die was zo blij dat hij de uitgever een brief met zijn verdere plannen zond: hierna een nieuw verhaal, dan een essay en daarna weer een roman: „Met mijn filosofie, die ik zeer belangrijk acht, hoop ik dan eindelijk mijn individu te verlaten en in het kollektieve te treden, zodat het toch feitelijk mijn filosofie niet zal zijn. Misschien zal ik weer buiten de waard rekenen.”

Mulisch kreeg huiswerk

Misschien dat Van Oorschot toch een beetje schrok van de grote woorden van deze Harry Mulisch, want hij kwam niet met een snel antwoord. Uiteindelijk schreef hij: „Uw boek heeft mij voor grote moeilijkheden en problemen geplaatst. Zoals ik u schreef was ik van bepaalde gedeelten in het begin van uw manuscript verrukt.” Maar dat was niet het enige; naast de sublieme passages bevatte het „irritante kitsch” en naast de boeiende delen, „stukken welke alleen maar langdradig en vervelend zijn”. In deze vorm kon Archibald Strohalm niet uitgegeven worden. Vaderlijk besloot hij: „U kunt schrijven en u kunt goed schrijven. Dit verplicht u tot meer dan u thans, althans bij gedeelten, in dit manuscript hebt gepresenteerd.” Huiswerk dus, maar daar voelde Mulisch weinig voor. De 23-jarige schreef: „Eerlijk gezegd stoort de omwerking van Strohalm enigszins het program, dat ik mijzelf voor mijn leven heb opgelegd.”

Een paar maanden later verdween Mulisch met zijn boek naar De Bezige Bij, die het snel (en helemaal ongewijzigd) in een jubileumreeks wilde opnemen. Van Oorschot vestigde spottend de aandacht op het verschil in kritisch vermogen tussen hemzelf en De Bezige Bij. Mulisch had maar geluk: „Het is tenslotte plezierig voor een schrijver wanneer hij een uitgever bezit, die zijn manuscripten ongelezen uitgeeft.” En tot in zijn laatste levensweken, 36 jaar later, zou hij luidkeels blijven verkondigen dat Harry Mulisch een prulschrijver was.

Claus had geen zin in bejaarden

Gelukkig waren er meer kansen op jong talent. De 22-jarige Vlaming Hugo Claus had begin 1951 de Leo L. Krynsprijs gekregen voor zijn debuutroman De metsiers en gold als het wonderkind van de Vlaamse literatuur. In het gezelschap van zijn vriendin (en latere echtgenote) Elly Overzier liep hij in Amsterdam Geert van Oorschot tegen het lijf. Die bracht dadelijk al zijn charmes in stelling. Hij nodigde het jonge paar uit bij hem en zijn vrouw Hillie in de woning boven de uitgeverij. Er was drank en gezelligheid en het werd laat. Waren Claus en zijn vriendin op zoek naar woonruimte? Dat kon Van Oorschot wel regelen. Bij een vriend van hem, of anders wel in een kunstenaarshuis in Wassenaar: „Het huis ligt in een prachtige omgeving. Zee en bos zijn bij de hand. Maar misschien zijn jullie wel zo verliefd op Amsterdam geworden dat jullie nergens anders meer willen komen.” Verliefd op Amsterdam of niet, voor een verblijf tussen „bejaarde kunstenaars” voelde het Vlaamse wonderkind bar weinig. Bovendien waren er kapers op de kust, dezelfde kapers die hem Mulisch hadden afgesnoept: Claus zwichtte voor een voorschot van 500 gulden dat hem door De Bezige Bij werd aangeboden in het Amsterdamse Café Rijnders. Van Oorschot had zoveel geld niet – en gaf het geld dat hij wel had niet zo makkelijk uit. Aan Claus liet hij weten dat hij niet boos, ‘wel verdrietig of teleurgesteld’ was. Over de werkwijze van zijn concurrent De Bezige Bij zei Van Oorschot later: „Ik hou me niet op met het gratis volschenken van auteurs, niet met draaiorgels, niet met kontkruiperij bij de mannen van de pers, radio en televisie, noch met het geven van dure geschenken aan auteurs en de door die auteurs uitgezochte critici.” Daar kon hij trots op zijn – maar het gevolg was dat hij zich vaak „niet boos, wel verdrietig of teleurgesteld” moest tonen.

Van Oorschot vond Wolkers maar zozo

Tien jaar later had Van Oorschot bijna Jan Wolkers in zijn netten, die enkele van zijn eerste verhalen in Van Oorschots tijdschrift Tirade publiceerde. Redacteur Gerard Reve vond ze geweldig, maar Van Oorschot vond ze eigenlijk maar zozo. Hij was bang dat het seksueel expliciete werk van Wolkers abonnees zou kosten – al zijn er in het archief van de uitgeverij geen sporen van opzeggingen gevonden. En in 1961 deed hij Wolkers ondanks zijn twijfels een voorstel: „Je zou mij een groot genoegen doen mij al je verhalen, gepubliceerd of ongepubliceerd eens ter lezing te zenden. Het is wellicht mogelijk dat we tot de samenstelling van een voortreffelijke bundel voor publicatie kunnen geraken.”

Het was al te laat: drie maanden later verscheen Wolkers’ debuutbundel Serpentina’s petticoat in de Gard Sivik-reeks van de kleine uitgeverij Heijnis. Waarschijnlijk had Wolkers zijn afspraken daar al gemaakt toen hij Van Oorschots brief ontving. Wellicht ook had Van Oorschot dat gehoord en was precies die kennis de reden waarom hij een verhalenbundel voorstelde. Hoe dan ook, in de jaren nadien zou Van Oorschot beweren dat hij nooit veel in het werk van Wolkers had gezien – tot deze zo kwaad werd dat hij de brief met het volgens hem hypocriete aanbod afdrukte in de Haagse Post. Waarbij hij overigens verzweeg dat de „pathologische leugenaar” Van Oorschot zijn aanbod deed vóór Serpentina’s petticoat verscheen. „Toen er goeie kritieken op Serpentina’s petticoat kwamen en toen het boek nog bleek te verkopen ook, wilde Van Oorschot me ineens wel hebben. Ik kreeg beminnelijke brieven waarin hij vroeg mijn werk te mogen publiceren en ik kon hem niet zien of die aftandse krokodillenkop bralde: ‘Jij hoort bij mij’.”

A.F.Th van der Heijden durfde niet

Vriendelijker was, nog weer later, de niet-verbintenis met A.F.Th van der Heijden. Die stuurde in 1976 als „een gewone provincienaam, die nog aan niemand in jullie wereld bekend is” een aantal gedichten aan Van Oorschot. De gedichten vond Van Oorschot niks, maar de uitgever was onder de indruk van de begeleidende brief, al was het alleen maar omdat die liefst 22 bladzijden lang was. „Uw lange brief vind ik veel aardiger dan uw gedichten, gewoner, minder krampachtig en geforceerd”, schreef hij. Of de jongeman, die een paar maanden later naar Amsterdam zou verhuizen, dan niet eens een kopje koffie wilde komen drinken.

„Oh, zeker!” antwoordde Van der Heijden, maar van de koffie kwam het niet. Van Oorschot was inmiddels veruit de beroemdste uitgever van Nederland en zelf als R.J. Peskens een veelverkopend auteur. Een man, zo groot en beroemd dat de jonge schrijver niet meer durfde.

Eenmaal ging Van der Heijden naar de Herengracht en zag daar vanaf de overkant van het water de uitgever op straat staan. Nu zegt hij: „Ik begrijp […] achteraf niet waarom ik vochtige handpalmen kreeg bij de gedachte aan het leggen van contact met deze uitgever, die mij toch, al was het informeel, had uitgenodigd langs te komen.” Hoe dan ook: de jonge schrijver stak niet over. Twee jaar later verscheen bij Querido zijn debuut Een gondel in de Herengracht.